Onvoldoende en te traag antwoorden Gepost op 23 april 2026 te 16:01.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak De melding ziet op het verloop van de klachtprocedure bij de bank. De meldster is van oordeel dat de bankmedewerkers die betrokken zijn bij de beantwoording van haar klacht bewust een onvolledig dan wel een te summier antwoord hebben gegeven. Daarbij heeft de beantwoording (te) lang op zicht laten wachten. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 11 juli 2025, of volg de link naar de beslissing TRB-2025-5167-AD. De melder heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek om herziening ingediend. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 september 2025, TRB-2025-5167-HV. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur In zijn beslissing legt de Algemeen directeur uit dat In het bancaire tuchtrecht het gedrag van de individuele bankmedewerker centraal staat. Beoordeeld dient te worden of de melding ziet op een individuele handeling (gedraging). Vervolgens moet beoordeeld of er ook sprake is van onzorgvuldig handelen dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De Algemeen directeur komt na bestudering van de melding en de daarbij gevoegde stukken tot de conclusie dat de gestelde termijnoverschrijding(en) althans doorlooptijd(en) niet te wijten zijn aan persoonlijk gedrag van de bankmedewerker. Waarbij opgemerkt wordt dat één en ander nog losstaat van de vraag of überhaupt wel sprake is van een termijnoverschrijding door de bank als instelling. De Algemeen directeur besluit geen verder onderzoek naar de melding te doen en wijst de melding af. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken heeft het verzoek om herziening beoordeeld. De beslissing van de Algemeen directeur blijft in stand. De door verzoekster beschreven feitelijke gang van zaken in het herzieningsverzoek is onvoldoende om te spreken van persoonlijk gedrag van de bankmedewerkster dat in strijd zou zijn met enige tuchtrechtelijke norm. Dat daarbij sprake zou zijn van doelbewust handelen, zoals u in het herzieningsverzoek wordt gesteld, is geenszins aannemelijk geworden, aldus de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken, het verzoek om herziening wordt afgewezen. Let op: Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.
Buiten de bank brengen van stukken Gepost op 23 april 2026 te 15:24.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak Op basis van de uitkomsten van het tuchtrechtelijke onderzoek beslist de Algemeen directeur de door de bank ingediende melding niet verder in behandeling te nemen en dus niet tot oplegging van een maatregel over te gaan. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 16 september 2025, of klik op de link voor de volledige uitspraak TRB-2025-5165-AD. De bank heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken verzocht om herziening van de uitspraak. Het herzieningsverzoek is afgewezen. Lees hierna de samenvatting of klik op de link voor de uitspraak van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 januari 2026, TRB-2026-5165-HV. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De melding ziet op het buiten de bank brengen van documenten door de bankmedewerker en het enkele malen bekijken van de bankrekening van (onder andere) zijn ex-partner en zoontje. De Algemeen directeur stelt vast dat een aantal gedragingen voor het afleggen van de bankierseed hebben plaatsgevonden en derhalve buiten de boordeling moeten blijven. Voor de overige gedragingen heeft de bankmedewerker toegelicht welke omstandigheden aanleiding waren tot zijn handelen. De Algemeen directeur ziet in deze heftige omstandigheden geen rechtvaardiging voor zijn handelen, wel blijkt daaruit dat hij uitsluitend (en wanhopig) op zoek was naar informatie over zijn zoon. De bankmedewerker heeft niet gehandeld vanuit een kwaadwillend motief of vanuit de gedachte om de bank en/of klanten van de bank te benadelen. De Algemeen directeur besluit de melding te seponeren en sluit het dossier, in zijn overwegingen betrekt de Algemeen directeur dat de bankmedewerker zelf gestopt is met zijn gedragingen, het kwalijke daarvan heeft ingezien en spijt heeft betuigd. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft in zijn overwegingen aan dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten de zaak tegen de bankmedewerker te seponeren en geen klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken. Let op: Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.
Opzegging kredietfaciliteit Gepost op 23 april 2026 te 14:06.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak De melder, eigenaar van een onderneming, is van oordeel dat de bankmedewerker niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht in het gesprek met de melder over beëindiging van de kredietfaciliteit. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 25 september 2025, of klik op de link voor volledige beslissing: TRB-2025-5138-AD. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De melder geeft aan dat de bankmedewerker tijdens een bespreking met hem kenbaar heeft gemaakt dat de bank de kredietfaciliteit waar zijn onderneming gebruik van maakt, wenst te beëindigen, zónder dat daar een zorgvuldig, op actuele bedrijfscijfers gebaseerd voorbereidingsproces aan vooraf is gegaan. Daarnaast stelt hij dat het gesprek met de bankmedewerker, dat gehouden werd bij de ondernemer op kantoor, woordelijk hoorbaar was voor zijn financieel manager en operationeel manager die in een aangrenzende ruimte zaten. De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat bij meldingen die zijn ingediend tegen de achtergrond van een inhoudelijk, civielrechtelijk geschil tussen de melder en de bank, de inhoud van deze beslissing c.q. het standpunt van de bank in dezen buiten de tuchtrechtelijke beoordeling valt. In onderhavige situatie geldt dit aldus voor (beoordeling van) de rechtmatigheid van de beëindiging van de kredietfaciliteit. Wel valt de wijze van totstandkoming en kenbaarmaking van de beslissing of het standpunt van de bank onder de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. De Algemeen directeur heeft bij de bank informatie opgevraagd over (onder meer) de concrete aanleiding c.q. reden voor de bespreking met de ondernemer. Naar aanleiding daarvan heeft de bank de Algemeen directeur ervan in kennis gesteld dat die reden erin gelegen was om (i) kenbaar te maken dat de aan de onderneming geboden kredietvorm niet meer binnen het bancair financieringsbeleid paste en daarom zou worden beëindigd en (ii) om een eventuele alternatieve, nieuwe financiering te onderzoeken. De Algemeen directeur is van oordeel de bankmedewerker geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt valt te maken dat aan aankondiging van de mededeling geen zorgvuldig, op actuele bedrijfscijfers gebaseerd voorbereidingsproces is voorafgegaan. Verder overweegt de Algemeen directeur dat de omstandigheid dat het gesprek woordelijk hoorbaar was voor de financieel manager en de operationeel manager die in een aangrenzende ruimte zaten de bankmedewerker geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dat de bankmedewerker tijdens die bespreking schreeuwerig zou zijn geweest of anderszins de normale standaarden voor zakelijke conversatie zou hebben overschreden, is niet gesteld. Daarbij betrekt de Algemeen directeur dat de ondernemer in zijn telefonische toelichting op de heeft verklaard dat sprake is van “kartonnen muurtjes” in het kantoorpand waardoor gesprekken tevens hoorbaar zijn voor personen in een aangrenzende ruimte. De Algemeen directeur besluit tot afwijzing van de melding. De melder is het niet eens met deze beslissing en heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek tot herziening ingediend. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken ziet in hetgeen in het verzoek is aangevoerd onvoldoende aanleiding om een nader onderzoek te rechtvaardigen. Voorts is de voorzitter van mening dat de Algemeen directeur op goede gronden tot zijn oordeel is gekomen en dat niet is gebleken dat persoonlijk gedrag van de bankmedewerker aanleiding zou geven tot nader onderzoek. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 september 2025. Let op: Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.
Is er sprake van onjuiste informatieverstrekking? Gepost op 23 april 2026 te 14:04.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak De melder en de bank zijn het niet met elkaar eens over wie de rechthebbende is van een (openstaande) vordering. De melder meent dat de bank -die een vordering heeft op de melder- deze vordering heeft verkocht aan een incassobureau en dat het incassobureau (en dus niet de bank) de rechthebbende is. Daarvan uitgaande zou de bank de vordering niet (meer) kunnen opeisen bij de melder. De melder geeft aan dat hij de bank diverse malen en langdurig naar de onderbouwing heeft gevraagd van het door de bank ingenomen standpunt. En ook dat hij de bank heeft verzocht om overlegging van bewijsstukken waaraan de bank ontleent nog rechthebbende te zijn. Omdat de melder twijfelt aan de juistheid van de verkregen antwoorden, heeft hij bij Tuchtrecht Banken meerdere meldingen ingediend tegen de bankmedewerkers waarmee hij contact heeft gehad. De meldingen zijn door de Algemeen directeur afgewezen. De melder heeft daarop tegen de afwijzende beslissingen bij de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken herziening van de beslissingen gevraagd. Lees hieronder de samenvatting van één van de beslissingen van de Algemeen directeur en van één van de beslissingen op de ingediende verzoeken om herziening. De beslissingen zijn ook direct te lezen door op de volgende linkjes te klikken: TRB-2025-5104-AD en TRB-2025-5104-HV. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De meldingen hebben betrekking op diverse bankmedewerkers, ieder in hun eigen rol en positie. Aan de meldingen ligt een vordering van de bank op de melder ten grondslag. Deze vordering is overgebleven uit het faillissement van de vennootschap waarvan melder directeur-groot aandeelhouder was. De bank heeft melder aangesproken tot betaling van de vordering. Melder heeft zich hier tegen verzet en is een civiele procedure begonnen. In dit verzet is hij niet geslaagd. De rechter heeft de melder in de civiele procedure veroordeeld tot betaling van de openstaande vordering. Waarna de discussie met de bank ontstond over het al dan niet overgedragen zijn van de vordering aan een incassobureau. In de meldingen wordt aangevoerd dat de bankmedewerkers ieder voor zich en binnen hun eigen bevoegdheden, geen afdoende antwoord hebben gegeven op de door de melder gestelde vragen en ook dat de bankmedewerkers afspraken met elkaar hebben gemaakt over de communicatie met de melder en over het achterhouden van bewijs en het dossier. Dit om te voorkomen dat openheid van zaken wordt geboden, aldus de melder. De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat in de tuchtrechtelijke procedure geen oordeel kan worden gegeven over de civiele aspecten. Dit valt buiten de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. In de tuchtrechtelijke procedure kan alleen geoordeeld worden over het mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbare gedrag van de bankmedewerkers. In de meldingen ziet de Algemeen directeur geen aanwijzingen dat de betrokken bankmedewerkers bij de totstandkoming van de civielrechtelijke beslissing(en) of het innemen van een standpunt sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbare onzorgvuldigheid in het contact tussen de bankmedewerker en de melder, dan wel in het door de bankmedewerker gevolgde werkproces. Wat is het oordeel van de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De verzoeker is van mening dat de beslissing van de algemeen directeur niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dat ten onrechte een oordeel wordt gegeven over de vordering ten gunste van de bank en dat ten onrechte geen onderzoek naar de verschillende bankmedewerkers is opgestart. Naast het verzoek om herziening van de beslissing wordt ook gevraagd om rectificatie van de beslissing van de Algemeen directeur. De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft aan dat uit het herzieningsdossier en de beslissing van de algemeen directeur hem niet is gebleken dat een standpunt omtrent het civielrechtelijke geschil is ingenomen. De algemeen directeur heeft enkel beoordeeld of al dan niet sprake was van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft verder aan dat van niet integer handelen -naar het hem voorkomt- niet is gebleken. Voor wat betreft de overige opmerkingen die in het herzieningsverzoek zijn gemaakt merkt de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken op dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten geen nader onderzoek te doen instellen en derhalve geen klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken. Het verzoek om voorziening wordt om vorenstaande redenen afgewezen. Voor het eisen van rectificatie van de beslissing van de Algemeen directeur is een herzieningsprocedure geen plaats. Let op: Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.
Vallen beleidsbeslissingen bank onder het bancair tuchtrecht? Gepost op 19 maart 2026 te 17:09.Geschreven door olavwagenaar Kern van de melding Melder stelt dat de diverse Nederlandse banken een onjuiste toepassing geven aan de uitvoering van wetten, met name waar het gaat om de monitoring van ongebruikelijke transacties. De meldingen richten zich tegen de bestuurders van de banken. Deze bankmedewerkers hadden vanuit hun functie invloed op het beleid van de bank en hebben ten onrechte geen acties ondernomen om het beleid te (laten) wijzigen, aldus de melder. Melder benoemt drie onderdelen waar naar zijn oordeel de banken te kort schieten in de uitvoering, dat zijn 1) het delen van (persoons)gegevens met FUI bij het melden van ongebruikelijke transacties 2) het meewerken aan Transactie Monitoring Nederland TMNL 3) en het defacto faciliteren/gedogen van illegale buitenlandse crypto-dienstverleners in de zin van feitelijk faciliteren/gedogen dat die illegale buitenlandse cryptodienstverleners via iDEAL gelden van Nederlandse klanten konden ontvangen. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing(en) van de Algemeen directeur van 26 maart 2025, klik op het dossiernummer TRB-2025-4985-AD voor de hele uitspraak. Melder heeft een verzoek om herziening van de beslissing(en) ingediend. De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken heeft op 11 maart 2026 in de verschillende herzieningsverzoeken uitspraak gedaan. De samenvatting staat hieronder, de volledige uitspraak via de link in het dossiernummer TRB-2026-4985-HV. Het betreft vier (bijna) gelijkluidende meldingen ingediend. De afzonderlijke beslissingen zijn via de link onderaan de samenvatting te vinden. De onderstaande samenvatting is een summiere weergave, daarom wordt er nadrukkelijk op gewezen de uitspraken na te lezen op alle feiten en overwegingen die geleid hebben tot de beslissingen. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing de kaders aan waarin hij kan opereren. In het bancair tuchtrecht ligt ter beoordeling voor het persoonlijke gedrag van de (individuele) bankmedewerker. Beslissingen en standpunten van de bank als financiële instelling, zoals beslissingen en standpunten over de interpretatie/uitleg en toepassing van relevante regelgeving, vallen in beginsel buiten het bereik van het bankentuchtrecht. De melder geeft aan dat de Commissie van Beroep Banken in zijn uitspraak van 2023 heeft uitgesproken dat ook bestuurders op hun beleid kunnen worden aangesproken. De Algemeen directeur deelt die mening ten dele. De Commissie van Beroep Banken heeft in zijn uitspraak een duidelijk afbakening aangegeven in die zin dat via het tuchtrecht het bancair beleid van de banken niet ter discussie kan worden gesteld, doch uitsluitend het persoonlijke handelen of nalaten van bankmedewerkers. In de visie van de Algemeen directeur dient hij wanneer middels een melding over (een) bestuurder(s) in wezen wordt getracht bancair beleid van de bank ter discussie te stellen, zich enigszins terughoudend op te stellen. Met betrekking tot het delen van gegevens met FUI concludeert de Algemeen directeur dat de wetsinterpretatie op dit punt (in redelijkheid) discussie bestaat en dat het niet aan Tuchtrecht Banken is om te dien aanzien een (rechts)oordeel te vellen. Aangezien deze beoordeling buiten de reikwijdte van het bancair tuchtrecht valt. Over de deelname dan wel het meewerken aan de TMNL wijst de Algemeen directeur erop dat de overheid bij banken een grote verantwoordelijkheid heeft neergelegd wat betreft het voorkomen van witwassen en de bestrijding van de financiering van terrorisme. De geschiedenis laat zien dat de overheid streng toeziet op de naleving van de wet- en regelgeving ter zake en ook (zeer) hoge boetes uitdeelt wanneer banken de opgelegde taak onvoldoende uitvoeren. Waarbij, naast het treffen van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen jegens banken, overigens ook bestuurders van de banken strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. Vervolgens geeft de Algemeen directeur aan dat sprake is van een beleidsbeslissing waarbij vele belangen zijn afgewogen. De Algemeen directeur overweegt dat de bankmedewerker een zorgvuldige afweging van alle belangen dient te maken. De stelling van melder dat het klantbelang per definitie zwaarder zou wegen, gaat daarom niet op. Voor wat betreft het derde onderdeel van de melding wijst de Algemeen directeur erop dat iDEAL een betaaldienst is, die niet in handen is van de bank, maar van een zelfstandige andere entiteit (verder kortweg: de betaaldienstverlener). En dat was ook in de door melder genoemde periode zo. Deze betaaldienstverlener had reeds in die periode beleid ontwikkeld om illegale transacties te voorkomen. Dit beleid is tot stand gekomen mede in samenspraak met toezichthouders DNB en AFM. Aldus was reeds sprake van door de betaaldienstverlener getroffen maatregelen ter voorkoming van de door melder gesignaleerde ongewenste betalingen. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken In zijn herzieningsuitspraak geeft de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken het door de Algemeen directeur ingenomen standpunt te onderschrijven en voegt daaraan toe: “Nu ik met de algemeen directeur van mening ben dat van de onder (a) genoemde situatie geen sprake is, uw melding voor wat betreft het persoonlijk verwijt naar de kern bezien betrekking heeft op de onder (b) genoemde situatie en uit de beslissing van de algemeen directeur en alle stukken die van het herzieningsdossier onderdeel uitmaken onvoldoende volgt welk persoonlijk handelen of nalaten de bankmedewerkers concreet wordt verweten, ben ik van oordeel dat de algemeen directeur op juiste gronden heeft kunnen beslissen tot het niet voorleggen van een klacht aan de Tuchtcommissie. Met de huidige stand van zaken acht ik een tuchtrechtelijke procedure niet de geëigende wijze om de door u geschetste problematiek aan de orde te stellen”. De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken wijst de herzieningsverzoeken af. Let op: Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend. Recente artikelen en vergelijkbare uitspraken TRB-2025-4986-AD en TRB-2026-4986-HV TRB-2025-4987-AD en TRB-2026-4987-HV TRB-2025-4937-AD en TRB-2026-4937-HV
Medewerker kredietverlener valt niet onder bancair tuchtrecht Gepost op 29 januari 2026 te 14:52.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak Melding ziet op een medewerkster werkzaam bij een kredietverlener/financiële dienstverlener. Deze financiële dienstverlener is 100% dochter van een Nederlandse bankinstelling. Valt de medewerkster onder werking van het bankentuchtrecht? Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 1 oktober 2024 of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-AD. De melder heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek om herziening ingediend. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van 23 december 2024 de samenvatting of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-HV. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De Algemeen directeur heeft op formele gronden besloten geen onderzoek te doen naar de melding. De reden hiervoor is dat de financiële dienstverlener geen bankinstelling is in de zin van artikel 1.1. Wet op het financieel toezicht (verder: Wft), en daarmee ook niet valt onder de werking van artikel 3.23, lid 3 Wft. De medewerkster waarop de melding ziet heeft de bankierseed niet afgelegd, en hoefde deze ook niet af te leggen omdat zij niet bij een Nederlandse bankinstelling werkt. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken oordeelt dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft geoordeeld dat het bancair tuchtrecht niet van toepassing is en dat een inhoudelijke beoordeling van de melding om die reden niet kan plaatsvinden. Over de Wet op het financieel toezicht De Wet op het financieel toezicht (Wft) beschrijft het toezicht op de hele financiële sector in Nederland. En bevat verplichtingen voor financiële instellingen. Veel van deze regels zijn uit Europa afkomstig. De financiële markten veranderen snel. Daarom wordt de Wft regelmatig gewijzigd om actueel te blijven. Het toezicht op de financiële instellingen in Nederland wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Naast het toezicht op de financiële instellingen is in de Wft vastgelegd dat alle medewerkers werkzaam bij een bankinstelling met een Nederlandse bankvergunning een eed (de bankierseed) moeten afleggen, waarmee ze verklaren hun werk integer en zorgvuldig uit te voeren en zich toetsbaar op te stellen. Waarmee wordt bedoeld dat ze zich bewust zijn dat zij onder tuchtrechtelijk toezicht staan. Wil je meer weten over het bancair tuchtrecht volg dan deze link.
Internetfraude, melding gericht tegen bankmedewerkers Gepost op 24 juni 2025 te 16:07.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak De melder, klant van de bank is slachtoffer geworden van internetfraude. Hij heeft hier spoedig melding van gedaan bij de bank, echter dit heeft er niet toe kunnen leiden dat de overboeking werd tegengehouden. De melder is van oordeel dat de bank niet adequaat heeft gehandeld en heeft hierover een klacht bij de bank ingediend. Over de afhandeling van de klacht is de melder ontevreden, en dient tegen vier bankmedewerkers, waaronder de CEO van de bank een melding in bij Tuchtrecht Banken. Lees hieronder de samenvatting van een van de vier beslissingen of klik op de link voor de beslissing van de Algemeen directeur, TRB-2024-5021-AD, 30 mei 2024. De melder heeft een verzoek om herziening bij de Voorzitter van Tuchtcommissie Banken ingediend. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De Algemeen directeur leidt zijn beslissing in met een toelichting op het doel en de reikwijdte van het bankentuchtrecht. Het doel van Tuchtrecht Banken is om professionele bankmedewerkers aan te spreken op gedrag in strijd met de bankierseed en de daaraan verbonden Gedragscode. De Gedragsregels voor bankmedewerkers zijn gericht op gedragingen van de individuele medewerkers. Handelingen of dienstverlening van de bank als instelling zijn (expliciet) uitgesloten van de tuchtprocedure bij Tuchtrecht Banken. Naar het oordeel van de Algemeen directeur ziet de melding in essentie op hoe de klachtbehandeling als geheel is verlopen. Daarover is de melder ontevreden. De Algemeen directeur beschouwt de algemene werkwijze/procedure met betrekking tot de klachtenafhandeling – dat wil zeggen: het niet op een specifieke, individuele bankmedewerker toespitste procesverloop – als een werkwijze/procedure van de bank als instelling, waarover hij niet kan oordelen. Dat valt buiten de toetsing van het gedrag van individuele bankmedewerkers. De melder ziet de bankmedewerker, als CEO als (eind)verantwoordelijk voor het niet correct functioneren van de (klachten)procedure en hij is het niet eens met de uitkomst van de klachtenafhandeling. Naar het oordeel van de Algemeen directeur levert dit echter geen grond op voor een tuchtrechtelijk verwijt ten aanzien van deze bankmedewerker. Daarvoor moet het immers gaan om persoonlijk gedrag van die bankmedewerker. De Algemeen directeur zal geen verder onderzoek naar de melding uitvoeren. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De Voorzitter stelt vast dat de melder van mening is dat de CEO eindverantwoordelijk is voor alle zaken die door melder zijn gemeld bij de Algemeen directeur, nu de bank onder andere op basis van de wettelijke zorgplicht verplicht zou zijn een correcte klachtbehandeling te hebben, waarvan niet is gebleken. Ter ondersteuning van zijn mening heeft de melder aan gevoerd dat de door hem verzonden brieven niet bij de gewenste afdeling terecht zijn gekomen. De Voorzitter geeft aan dat in het herzieningsverzoek wederom aandacht wordt besteed aan handelingen van de bank (zelf) waarover het bancaire tuchtrecht zich niet uitstrekt. En dat het herzieningsverzoek niet ziet op het individuele handelen van de bankmedewerker. Om die reden ziet de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geen aanknopingspunten die nader onderzoek naar eventueel tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de bankmedewerker zouden rechtvaardigen. Klik op de link voor de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken, TRB-2024-5021-HV, 29 augustus 2024. De beslissingen op de drie andere vergelijkbare meldingen zijn te vinden via de hieronder opgenomen verwijzingen: TRB-2024-5037-AD en TRB-2024-5037-HV TRB-2024-5038-AD en TRB-2024-5038-HV TRB-2024-5042-AD en TRB-2024-5042-HV
Vallen privégedragingen onder het tuchtrecht? Gepost op 5 juni 2025 te 16:41.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak De melder verwijt de bankmedewerkster (zijn ex-echtgenote) zijn handtekening te hebben vervalst bij het indienen van de aanvraag wijziging van een nog op beider naam staande overlijdensrisicoverzekering. De ingediende wijziging zag op het verwijderen van de man als (tweede) verzekeringnemer. De Algemeen directeur is van oordeel dat de gestelde gedragingen privé handelingen betreffen die niet onder de reikwijdte van het bankentuchtrecht vallen. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5056-AD, 20 november 2024. De melder heeft om herziening verzocht. De samenvatting van de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken volgt na de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken TRB-2024-5056-HV, 28 december 2024. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur Uit de toelichting op de melding en ook uit een eerder ingediende melding (TRB-2024-4970-AD) ziet de Algemeen directeur een beeld ontstaan van slepende onmin tussen melder en zijn ex-echtgenote (de bankmedewerkster) na de relatiebeëindiging en dat het onderhavige handelen een uitvloeisel daarvan is. De Algemeen directeur is van oordeel dat bij het onderhavige handelen geen sprake is van bijzondere, prangende raakvlakken met (de positie van) de bank als hierboven bedoeld. Uit de aangeleverde stukken blijkt dat het wijzigingsverzoek is verstuurd vanuit het privé e-mailadres van de bankmedewerkster en dat daarvoor geen bedrijfsmiddelen van de bank zijn gebruikt. Ook overigens geven de door melder overgelegde stukken geen blijk van bijzondere, prangende raakvlakken met (de positie van) de bank. De Algemeen directeur komt dus tot de conclusie dat er onvoldoende aanleiding is om het onderhavige privé-handelen van de bankmedewerkster onderwerp van een tuchtrechtelijke toetsing te laten zijn en zal daarom geen nader onderzoek doen. De Algemeen directeur sluit dan ook de melding. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken In het herzieningsverzoek wordt gesteld dat de voorliggende melding volledig los staat van de vorige melding jegens de bankmedewerkster. Ook geeft de melder aan dat de verzekeraar het onderzoek heeft afgerond en heeft geconcludeerd dat er een onterechte wijziging heeft plaatsgevonden zodat deze ongedaan is gemaakt. Volgens de melder staat deze gedraging van de bankmedewerkster niet op zichzelf, hij vindt dat aan dergelijke handelingen een halt moeten worden toegeroepen. De Voorzitter van de Tuchtcommissie banken is van oordeel dat de door de melder aangehaalde omstandigheden niet het oordeel van de algemeen directeur bestrijden dat onvoldoende raakvlakken met de bank bestaan. Het herzieningsverzoek wordt afgewezen. Zie ook TRB-2024-4970-AD.
Herhaaldelijk niet reageren op verzoeken Gepost op 5 juni 2025 te 16:39.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak Aanleiding voor de melding is het uitblijven van een reactie op diverse verzoeken (van de melder) aan een bankmedewerker, de voormalig leidinggevende van de ex-partner van melder. Hij verwijt de bankmedewerker de gedragsregels te hebben geschonden door, zelfs na een toezegging binnen een week te zullen reageren, niet te hebben gereageerd. Voorts verwijt melder de bankmedewerker onvoldoende (functionele) maatregelen te hebben getroffen ten aanzien van zijn ex-partner. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur, of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-4971-AD, 22 februari 2024. De melder heeft een verzoek om herziening in gediend bij de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken. De samenvatting volgt na de samenvatting op de beslissing van de Algemeen directeur. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur De Algemeen directeur stelt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op correspondentie van klanten door medewerkers van de bank wordt gereageerd. De correspondentie aan de bankmedewerker strekte er niet zozeer toe een (concrete) klantvraag te stellen maar om in meer algemene zin te wijzen op een door de melder gesignaleerde misstand betreffende het gedrag van een bankmedewerker, aldus de Algemeen directeur. Ook ten aanzien daarvan geldt als uitgangspunt dat daarop behoorde te worden gereageerd, mede aangezien een (inhoudelijke) reactie in het vooruitzicht was gesteld. Het hangt echter af van de omstandigheden van het geval of niet (nader) reageren door een bankmedewerker aanleiding geeft een tuchtklacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken. Uit de melding en de door melder toegestuurde informatie blijkt (hooguit) dat de bankmedewerker het eenmalig heeft nagelaten om een follow-up e-mail te sturen aan de melder. De Algemeen directeur is daarom van oordeel dat er (in ieder geval) geen sprake is van een zodanig ernstige onzorgvuldigheid dat de melding zou moeten worden voorgelegd aan de Tuchtcommissie Banken. Voor wat betreft het tweede onderdeel van de melding geeft de Algemeen directeur aan dat niet duidelijk is op welk persoonlijk en verwijtbaar handelen van de bankmedewerker wordt gedoeld. Het is aan de melder om bij een vermeende schending van de gedragscode concrete feiten te stellen en, indien mogelijk, deze te onderbouwen met stukken. Omdat naar het oordeel van de Algemeen directeur geen sprake is van ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de bankmedewerker dat aanleiding geeft een tuchtklacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken, wordt de melding gesloten. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht is de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van oordeel dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten geen nader onderzoek te doen instellen en derhalve geen klacht aan de Tuchtcommissie Banken voor te leggen. Het handelen van de bankmedewerker is immers niet zodanig ernstig onzorgvuldig dat dit nader onderzoek en het voorleggen van een klacht aan de tuchtcommissie zou rechtvaardigen. Het herzieningsverzoek wordt afgewezen. De voorzitter van de Tuchtcommissie Banken stelt verder vast dat de melder enkel een op de zaak met meldingsnummer 4970 toegespitste motivering heeft ingebracht. Daarmee wordt niet duidelijk gemaakt welke gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar zouden zijn. Omdat de bestaande onduidelijkheid niet is weggenomen, neemt de Voorzitter het oordeel van de Algemeen directeur ten aanzien van het tweede onderdeel van de melding over. Voor de hele uitspraak, klik op de link TRB-2024-4971-HV, 1 mei 2024.
Amoureuze relatie met bankklant en delen van informatie Gepost op 5 juni 2025 te 16:36.Geschreven door olavwagenaar Kern van de uitspraak Melder verwijt bankmedewerkster, zijn ex-partner, meerdere amoureuze verhoudingen te zijn aangegaan met klanten van de bank. Een van de betrokkenen zou met persoonlijke problemen kampen, wat zich onder meer uitte in het doen (onterechte) bommeldingen en doen van doodsbedreigingen bij de bank. Melder voelde zich geraakt door dit gedrag. Voorts wordt de bankmedewerkster verweten vertrouwelijke informatie buiten de bank te hebben gebracht en informatie van de bank te hebben gedeeld via social media. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing of klik op de link voor de volledige tekst van de beslissing van de Algemeen directeur TRB 2024-4970-AD van 22 februari 2024, of de herzieningsbeslissing TRB-2024-4970-HV van 1 mei 2024. Wat is het oordeel van de Algemeen directeur Uit de bij de melding gevoegde informatie blijkt dat ten aanzien van één klant sprake was van een amoureuze verhouding ten aanzien van één klant. De betreffende klant zou niet alleen bij de bank voor veel onrust hebben gezorgd wegens het doen van een (onterechte) bommelding en het uiten van doodsbedreigingen, maar ook bij de melder. De Algemeen directeur stelt vast dat het gedrag van de bankmedewerker zich hoofdzakelijk in de privésfeer heeft afgespeeld. Voorts is niet gebleken dat het om een meer dan eenmalig incident zou gaan. De Algemeen directeur erkent dat de bedreiging invloed van impact zullen zijn geweest, echter de bedreigingen waren afkomstig van een ander persoon dan de bankmedewerkster en kunnen haar niet worden aangerekend. Voor wat betreft het tweede onderdeel van de melding ziet de Algemeen directeur dat informatie buiten de bank is gebracht De informatie is echter niet van dien aard dat geconcludeerd wordt dat de gedragsregels onvoldoende ernstig zijn geschonden door de bankmedewerker en aldus geen aanleiding is om een Klacht aan de Tuchtcommissie Banken voor te leggen. Voor wat betreft het delen van informatie op social media overweegt de Algemeen directeur dat uit de onderbouwing van de melding niet blijkt is op welke wijze de bankmedewerker in strijd zou hebben gehandeld met de gedragsregels. De Algemeen directeur besluit geen Klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken en sluit het onderzoek. Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken De Voorzitter van Tuchtcommissie Banken overweegt in zijn beslissing dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten geen nader onderzoek in te stellen. Met betrekking tot het gestelde over de relatie van de bankmedewerkster met een klant van de bank, geeft de Voorzitter aan dat de gedragingen, wat daar ook van zij, zich primair in de privésfeer afspeelde en dat gedragingen van de klant, de bankmedewerkster niet tuchtrechtelijk kunnen worden verweten. Zie ook TRB-2024-4971-AD en TRB-2024-4971-HV en/of TRB-2024-5056-AD / TRB-2024-5056-HV.