Geschil over Krediet Hypotheek

Kern van de uitspraak

De melder heeft tegen drie bankmedewerkers een melding ingediend die ziet op de afhandeling van zijn geschil met de bank over de aflossing van een openstaande schuld en de wijze waarop de bank zijn klacht over het verloop van het geschil heeft afgehandeld. De melder is van mening dat de schuld in geheel is afgelost. De bank bestrijdt dit. De melder verwijt de betrokkenen medewerkers hem onvoldoende te hebben geïnformeerd, door informatie achter te houden over de door hem betaalde aflossingen.

De Algemeen directeur heeft de meldingen afgewezen. Lees hieronder de samenvatting van de beslissingen van de Algemeen directeur van 24 februari 2026, of klik op de link voor volledige beslissingen. TRB-2026-5119-AD, TRB-2026-5120-AD en TRB-2026-5121-AD.

De melder heeft naar aanleiding van de afwijzingen herzieningsverzoeken ingediend bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken. De herzieningsverzoeken zijn op 12 maart 2026 afgewezen, lees hieronder de samenvatting van de uitspraak of klik op de link voor de volledige uitspraak TRB-2026-5121-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Aan de meldingen ligt een civielrechtelijk geschil ten grondslag, namelijk het nog (voort)bestaan van een Krediet Hypotheek. De Algemeen directeur geeft aan dat civielrechtelijke geschillen buiten de reikwijdte van het bancair tuchtrecht vallen. Het bancair tuchtrecht ziet op het gedrag van een bankmedewerker. En of de bankmedewerker in de uitoefening van zijn beroep de gedragsregels verbonden aan de bankierseed heeft nageleefd. De civielrechtelijk aspecten kunnen in de tuchtprocedure niet worden betrokken. Vanuit tuchtrechtelijk perspectief kan de Algemeen directeur wel een oordeel vormen over het (communicatieve) verloop van de klachtenprocedure.

De Algemeen directeur stelt vast dat de melding onvoldoende onderbouwd is en de verstrekte informatie niet alleen een onvolledig beeld geeft, maar ook diverse tegenstrijdigheden bevat. De melder is verzocht om aanvullende informatie, welke ten dele is verstrekt. De aanvullende informatie gaf geen antwoord op de door de Algemeen directeur gestelde vragen.

Algemeen directeur ziet onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en besluit geen nader onderzoek te doen en de meldingen af te wijzen.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter is van oordeel dat de algemeen directeur terecht heeft geoordeeld dat de meldingen onvoldoende aanknopingspunten bieden voor tuchtrechtelijk onderzoek. Voor zover de meldingen zien op de persoonlijke betrokkenheid van de afzonderlijke bankmedewerkers, heeft verzoeker ook in zijn herzieningsverzoeken onvoldoende concrete feiten aangevoerd waaruit blijkt dat de bankmedewerkers persoonlijk tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. De gestelde betrokkenheid blijft in algemene bewoordingen en wordt niet ondersteund door stukken waaruit een zodanige persoonlijke rol blijkt. De herzieningsverzoeken worden afgewezen. Tegen de beslissing staat geen beroep open.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

 

melding te laat ingediend

Kern van de uitspraak

Melder klaagt over onjuiste advisering door een bankmedewerker bij een bedrijfsovername. De melding blijft buiten behandeling omdat de melding meer dan vijf jaren na het gebeurde is ingediend.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 31 december 2025 of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2026-5232-AD.

De melder heeft een verzoek om herziening ingediend bij de Voorzitter van de   Tuchtcommissie Banken. De samenvatting van de uitspraak op het herzieningsverzoek staat hierna of klik op de link voor volledige uitspraak TRB-2026-5232-HV.

Namens het bedrijf is er een gelijkluidende melding ingediend. De beslissing is inhoudelijk hetzelfde: TRB-2026-5237-AD en TRB-2026-5237-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Melder is van oordeel dat hij niet goed is geadviseerd door de bankmedewerker, waardoor de overname van het naastgelegen bedrijf niet is doorgegaan. Omdat het voorval meer dan vijf jaren voor het indienen van de melding heeft plaatsgevonden, besluit de Algemeen directeur op grond van artikel 2.2.4 van het Tuchtreglement Bancaire Sector de melding niet in behandeling te nemen.

In artikel 2.2.4 van het Tuchtreglement Bancaire Sector is opgenomen dat de Algemeen directeur kan besluiten geen Klacht voor te leggen indien de gedraging waarop de melding betrekking lang voor het indienen van de Melding plaatsvond, waarbij als uitgangspunt geldt een periode van vijf jaren na de gedraging die in de Melding is genoemd.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De melder heeft een verzoek om herziening ingediend, waarin hij aangeeft dat de gevolgen van het handelen van de bankmedewerker nog steeds voelbaar zijn en dat hij verschillende mogelijkheden heeft ondernomen om zijn klacht (intern en extern) voor te leggen.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken ziet geen redenen om af te wijken van de vijf jaren termijn en wijst het verzoek om herziening af.

Tuchtrechtelijk traject niet bedoeld voor verkapt beroep andere procedures

Kern van de uitspraak

Tuchtrecht Banken dient terughoudend te zijn bij de aanwezigheid van andere procedures, zoals geschilprocedures. Het is niet de bedoeling dat een tuchtrechtelijk traject wordt gebruikt als verkapt beroep ten aanzien van zo’n procedure.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 14 oktober 2024, of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5072-AD. De melder heeft een verzoek om herziening ingediend. Klik op de link voor de volledige uitspraak van de Voorzitter van de  tuchtcommissie TRB-2024-5072-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Melder stelt dat de bankmedewerker in verschillende (interne en externe klachtprocedures) tussen melder en de bank onwaarheden heeft verkondigd over een door de melder in 2008 afgesloten hypotheek en levensverzekering. Ten tijde van het indienen van de melding bij Tuchtrecht Banken was bij het Kifid een klacht van melder in behandeling. De melding bij Tuchtrecht Banken heeft mede betrekking op hetgeen door de bankmedewerker in de Kifid-procedure naar voren is gebracht. Lopende het vooronderzoek naar de melding heeft het Kifid de uitspraak bekend gemaakt. Kifid heeft de klacht ongegrond verklaard.

De Algemeen directeur is van oordeel dat de in de melding geuite verwijten over de gedragingen van de bankmedewerker onvoldoende concreet zijn onderbouwd. Om deze reden besluit de Algemeen directeur geen tuchtrechtelijk onderzoek in te stellen.

Verder merkt de Algemeen directeur op dat Tuchtrecht Banken ten aanzien van de onderhavige melding (in beginsel) enige terughoudendheid dient te betrachten indien de melding ziet op gedragingen in andere (geschil)procedures. Dat (procedurele) gedrag dient dan immers primair daar aan de orde te worden gesteld en Tuchtrecht Banken dient ten aanzien van een dergelijke melding (in beginsel) enige terughoudendheid te betrachten; het is niet de bedoeling dat een tuchtrechtelijk traject wordt gebruikt als verkapt beroep ten aanzien van zo’n procedure.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

In het herzieningsverzoek geeft de melder aan dat beroep is ingesteld tegen de beslissing van het Kifid, waardoor van verkapt beroep geen sprake kan zijn en geeft hij (wederom) een toelichting op het feitencomplex vanaf de aanvraag voor de hypotheek en levensverzekering. Voor wat betreft het handelen in strijd met de bankierseed door de bankmedewerker in de Kifid procedure stelt de melder dat de bankmedeweker geen juiste weergave van de feiten heeft geschetst en daarmee willens en weten fraude van de bank heeft verdedigd.

De voorzitter van de tuchtcommissie geeft aan dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn ingediend die een onderzoek wegens in strijd handelen met de bankierseed zouden rechtvaardigen. De enkele verwijzing naar een door de bank in de Kifid procedure ingebracht document is onvoldoende als bewijsstuk en daarbij dient de nodige terughoudendheid te worden betracht over (het oordelen over) gedragingen in andere procedures, aldus de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Onvoldoende en te traag antwoorden

Kern van de uitspraak

De melding ziet op het verloop van de klachtprocedure bij de bank. De meldster is van oordeel dat de bankmedewerkers die betrokken zijn bij de beantwoording van haar klacht bewust een onvolledig dan wel een te summier antwoord hebben gegeven. Daarbij heeft de beantwoording (te) lang op zicht laten wachten. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 11 juli 2025, of volg de link naar de beslissing TRB-2025-5167-AD.

De melder heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek om herziening ingediend. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 september 2025, TRB-2025-5167-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

In zijn beslissing legt de Algemeen directeur uit dat In het bancaire tuchtrecht het gedrag van de individuele bankmedewerker centraal staat. Beoordeeld dient te worden of de melding ziet op een individuele handeling (gedraging). Vervolgens moet beoordeeld of er ook sprake is van onzorgvuldig handelen dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

De Algemeen directeur komt na bestudering van de melding en de daarbij gevoegde stukken tot de conclusie dat de gestelde termijnoverschrijding(en) althans doorlooptijd(en) niet te wijten zijn aan persoonlijk gedrag van de bankmedewerker. Waarbij opgemerkt wordt dat één en ander nog losstaat van de vraag of überhaupt wel sprake is van een termijnoverschrijding door de bank als instelling.

De Algemeen directeur besluit geen verder onderzoek naar de melding te doen en wijst de melding af.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken heeft het verzoek om herziening beoordeeld. De beslissing van de Algemeen directeur blijft in stand. De door verzoekster beschreven feitelijke gang van zaken in het herzieningsverzoek is onvoldoende om te spreken van persoonlijk gedrag van de bankmedewerkster dat in strijd zou zijn met enige tuchtrechtelijke norm. Dat daarbij sprake zou zijn van doelbewust handelen, zoals u in het herzieningsverzoek wordt gesteld, is geenszins aannemelijk geworden, aldus de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken, het verzoek om herziening wordt afgewezen.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Buiten de bank brengen van stukken

Kern van de uitspraak

Op basis van de uitkomsten van het tuchtrechtelijke onderzoek beslist de Algemeen directeur  de door de bank ingediende melding niet verder in behandeling te nemen en dus niet tot oplegging van een maatregel over te gaan.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 16 september 2025, of klik op de link voor de volledige uitspraak TRB-2025-5165-AD.

De bank heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken verzocht om herziening van de uitspraak. Het herzieningsverzoek is afgewezen.
Lees hierna de samenvatting of klik op de link voor de uitspraak van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 januari 2026, TRB-2026-5165-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De melding ziet op het buiten de bank brengen van documenten door de bankmedewerker en het enkele malen bekijken van de bankrekening van (onder andere) zijn ex-partner en zoontje. De Algemeen directeur stelt vast dat een aantal gedragingen voor het afleggen van de bankierseed hebben plaatsgevonden en derhalve buiten de boordeling moeten blijven. Voor de overige gedragingen heeft de bankmedewerker toegelicht welke omstandigheden aanleiding waren tot zijn handelen. De Algemeen directeur ziet in deze heftige omstandigheden geen rechtvaardiging voor zijn handelen, wel blijkt daaruit dat hij uitsluitend (en wanhopig) op zoek was naar informatie over zijn zoon. De bankmedewerker heeft niet gehandeld vanuit een kwaadwillend motief of vanuit de gedachte om de bank en/of klanten van de bank te benadelen.

De Algemeen directeur besluit de melding te seponeren en sluit het dossier, in zijn overwegingen betrekt de Algemeen directeur dat de bankmedewerker zelf gestopt is met zijn gedragingen, het kwalijke daarvan heeft ingezien en spijt heeft betuigd.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft in zijn overwegingen aan dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten de zaak tegen de bankmedewerker te seponeren en geen klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Opzegging kredietfaciliteit

Kern van de uitspraak

De melder, eigenaar van een onderneming, is van oordeel dat de bankmedewerker niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht in het gesprek met de melder over beëindiging van de kredietfaciliteit.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 25 september 2025, of klik op de link voor volledige beslissing: TRB-2025-5138-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De melder geeft aan dat de bankmedewerker tijdens een bespreking met hem kenbaar heeft gemaakt dat de bank de kredietfaciliteit waar zijn onderneming gebruik van maakt, wenst te beëindigen, zónder dat daar een zorgvuldig, op actuele bedrijfscijfers gebaseerd voorbereidingsproces aan vooraf is gegaan. Daarnaast stelt hij dat het gesprek met de bankmedewerker, dat gehouden werd bij de ondernemer op kantoor, woordelijk hoorbaar was voor zijn financieel manager en operationeel manager die in een aangrenzende ruimte zaten.

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat bij meldingen die zijn ingediend tegen de achtergrond van een inhoudelijk, civielrechtelijk geschil tussen de melder en de bank, de inhoud van deze beslissing c.q. het standpunt van de bank in dezen buiten de tuchtrechtelijke beoordeling valt.

In onderhavige situatie geldt dit aldus voor (beoordeling van) de rechtmatigheid van de beëindiging van de kredietfaciliteit. Wel valt de wijze van totstandkoming en kenbaarmaking van de beslissing of het standpunt van de bank onder de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht.

De Algemeen directeur heeft bij de bank informatie opgevraagd over (onder meer) de concrete aanleiding c.q. reden voor de bespreking met de ondernemer. Naar aanleiding daarvan heeft de bank de Algemeen directeur ervan in kennis gesteld dat die reden erin gelegen was om (i) kenbaar te maken dat de aan de onderneming geboden kredietvorm niet meer binnen het bancair financieringsbeleid paste en daarom zou worden beëindigd en (ii) om een eventuele alternatieve, nieuwe financiering te onderzoeken. De Algemeen directeur is van oordeel de bankmedewerker geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt valt te maken dat aan aankondiging van de mededeling geen zorgvuldig, op actuele bedrijfscijfers gebaseerd voorbereidingsproces is voorafgegaan.

Verder overweegt de Algemeen directeur dat de omstandigheid dat het gesprek woordelijk hoorbaar was voor de financieel manager en de operationeel manager die in een aangrenzende ruimte zaten de bankmedewerker geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dat de bankmedewerker tijdens die bespreking schreeuwerig zou zijn geweest of anderszins de normale standaarden voor zakelijke conversatie zou hebben overschreden, is niet gesteld. Daarbij betrekt de Algemeen directeur dat de ondernemer in zijn telefonische toelichting op de heeft verklaard dat sprake is van “kartonnen muurtjes” in het kantoorpand waardoor gesprekken tevens hoorbaar zijn voor personen in een aangrenzende ruimte.

De Algemeen directeur besluit tot afwijzing van de melding. De melder is het niet eens met deze beslissing en heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek tot herziening ingediend.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken ziet in hetgeen in het verzoek is aangevoerd onvoldoende aanleiding om een nader onderzoek te rechtvaardigen. Voorts is de voorzitter van mening dat de Algemeen directeur op goede gronden tot zijn oordeel is gekomen en dat niet is gebleken dat persoonlijk gedrag van de bankmedewerker aanleiding zou geven tot nader onderzoek.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 september 2025.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

 

Is er sprake van onjuiste informatieverstrekking?

Kern van de uitspraak

De melder en de bank zijn het niet met elkaar eens over wie de rechthebbende is van een (openstaande) vordering. De melder meent dat de bank -die een vordering heeft op de melder- deze vordering heeft verkocht aan een incassobureau en dat het incassobureau (en dus niet de bank) de rechthebbende is. Daarvan uitgaande zou de bank de vordering niet (meer) kunnen opeisen bij de melder.

De melder geeft aan dat hij de bank diverse malen en langdurig naar de onderbouwing heeft gevraagd van het door de bank ingenomen standpunt. En ook dat hij  de bank heeft verzocht om overlegging van bewijsstukken waaraan de bank ontleent nog rechthebbende te zijn. Omdat de melder twijfelt aan de juistheid van de verkregen antwoorden, heeft hij bij Tuchtrecht Banken meerdere meldingen ingediend tegen de bankmedewerkers waarmee hij contact heeft gehad.

De meldingen zijn door de Algemeen directeur afgewezen. De melder heeft daarop tegen de afwijzende beslissingen bij de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken herziening van de beslissingen gevraagd.

Lees hieronder de samenvatting van één van de beslissingen van de Algemeen directeur en van één van de beslissingen op de ingediende verzoeken om herziening.

De beslissingen zijn ook direct te lezen door op de volgende linkjes te klikken: TRB-2025-5104-AD en TRB-2025-5104-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De meldingen hebben betrekking op diverse bankmedewerkers, ieder in hun eigen rol en positie. Aan de meldingen ligt een vordering van de bank op de melder ten grondslag. Deze vordering is overgebleven uit het faillissement van de vennootschap waarvan melder directeur-groot aandeelhouder was. De bank heeft melder aangesproken tot betaling van de  vordering. Melder heeft zich hier tegen verzet en is een civiele procedure begonnen. In dit verzet is hij niet geslaagd. De rechter heeft de melder in de civiele procedure veroordeeld tot betaling van de openstaande vordering.  Waarna de discussie met de bank ontstond over het al dan niet overgedragen zijn van de vordering aan een incassobureau.

In de meldingen wordt aangevoerd dat de bankmedewerkers ieder voor zich en binnen hun eigen bevoegdheden, geen afdoende antwoord hebben gegeven op de door de melder gestelde vragen en ook dat de bankmedewerkers afspraken met elkaar hebben gemaakt over de communicatie met de melder en over het achterhouden van bewijs en het dossier. Dit om te voorkomen dat openheid van zaken wordt geboden, aldus de melder.

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat in de tuchtrechtelijke procedure geen oordeel kan worden gegeven over de civiele aspecten. Dit valt buiten de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. In de tuchtrechtelijke procedure kan alleen geoordeeld worden over het mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbare gedrag van de bankmedewerkers.

In de meldingen ziet de Algemeen directeur geen aanwijzingen dat de betrokken bankmedewerkers bij de totstandkoming van de civielrechtelijke beslissing(en) of het innemen van een standpunt sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbare onzorgvuldigheid in het contact tussen de bankmedewerker en de melder, dan wel in het door de bankmedewerker gevolgde werkproces.

Wat is het oordeel van de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De verzoeker is van mening dat de beslissing van de algemeen directeur niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dat ten onrechte een oordeel wordt gegeven over de vordering ten gunste van de bank en dat ten onrechte geen onderzoek naar de verschillende bankmedewerkers is opgestart. Naast het verzoek om herziening van de beslissing wordt ook gevraagd om rectificatie van de beslissing van de Algemeen directeur.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft aan dat uit het herzieningsdossier en de beslissing van de algemeen directeur hem niet is gebleken dat een standpunt omtrent het civielrechtelijke geschil is ingenomen. De algemeen directeur heeft enkel beoordeeld of al dan niet sprake was van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft verder aan dat van niet integer handelen -naar het hem voorkomt- niet is gebleken.  Voor wat betreft de overige opmerkingen die in het herzieningsverzoek zijn gemaakt merkt de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken op dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten geen nader onderzoek te doen instellen en derhalve geen klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken.

Het verzoek om voorziening wordt om vorenstaande redenen afgewezen. Voor het eisen van rectificatie van de beslissing van de Algemeen directeur is een herzieningsprocedure geen plaats.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

 

 

Vallen beleidsbeslissingen bank onder het bancair tuchtrecht?

Kern van de melding

Melder stelt dat de diverse Nederlandse banken een onjuiste toepassing geven aan de uitvoering van wetten, met name waar het gaat om de monitoring van ongebruikelijke transacties. De meldingen richten zich tegen de bestuurders van de banken. Deze bankmedewerkers hadden vanuit hun functie invloed op het beleid van de bank en hebben ten onrechte geen acties ondernomen om het beleid te (laten) wijzigen, aldus de melder.

Melder benoemt drie onderdelen waar naar zijn oordeel de banken te kort schieten in de uitvoering, dat zijn

1) het delen van (persoons)gegevens met FUI bij het melden van ongebruikelijke transacties
2) het meewerken aan Transactie Monitoring Nederland TMNL
3) en het defacto faciliteren/gedogen van illegale buitenlandse crypto-dienstverleners in de zin van feitelijk faciliteren/gedogen dat die illegale buitenlandse cryptodienstverleners via iDEAL gelden van Nederlandse klanten konden ontvangen.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing(en) van de Algemeen directeur van 26 maart 2025, klik op het dossiernummer TRB-2025-4985-AD voor de hele uitspraak.

Melder heeft een verzoek om herziening van de beslissing(en) ingediend. De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken heeft op 11 maart 2026 in de verschillende herzieningsverzoeken uitspraak gedaan. De samenvatting staat hieronder, de volledige uitspraak via de link in het dossiernummer TRB-2026-4985-HV.

Het betreft vier (bijna) gelijkluidende meldingen ingediend. De afzonderlijke beslissingen zijn via de link onderaan de samenvatting te vinden.

De onderstaande samenvatting is een summiere weergave, daarom wordt er nadrukkelijk op gewezen de uitspraken na te lezen op alle feiten en overwegingen die geleid hebben tot de beslissingen.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing de kaders aan waarin hij kan opereren. In het bancair tuchtrecht ligt ter beoordeling voor het persoonlijke gedrag van de (individuele) bankmedewerker. Beslissingen en standpunten van de bank als financiële instelling, zoals beslissingen en standpunten over de interpretatie/uitleg en toepassing van relevante regelgeving, vallen in beginsel buiten het bereik van het bankentuchtrecht.

De melder geeft aan dat de Commissie van Beroep Banken in zijn uitspraak van 2023 heeft uitgesproken dat ook bestuurders op hun beleid kunnen worden aangesproken. De Algemeen directeur deelt die mening ten dele. De Commissie van Beroep Banken heeft in zijn uitspraak een duidelijk afbakening aangegeven in die zin dat via het tuchtrecht het bancair beleid van de banken niet ter discussie kan worden gesteld, doch uitsluitend het persoonlijke handelen of nalaten van bankmedewerkers. In de visie van de Algemeen directeur dient hij wanneer middels een melding over (een) bestuurder(s) in wezen wordt getracht bancair beleid van de bank ter discussie te stellen, zich enigszins terughoudend op te stellen.

Met betrekking tot het delen van gegevens met FUI concludeert de Algemeen directeur dat de wetsinterpretatie op dit punt (in redelijkheid) discussie bestaat en dat het niet aan Tuchtrecht Banken is om te dien aanzien een (rechts)oordeel te vellen. Aangezien deze beoordeling buiten de reikwijdte van het bancair tuchtrecht valt.

Over de deelname dan wel het meewerken aan de TMNL wijst de Algemeen directeur erop dat de overheid bij banken een grote verantwoordelijkheid heeft neergelegd wat betreft het voorkomen van witwassen en de bestrijding van de financiering van terrorisme. De geschiedenis laat zien dat de overheid streng toeziet op de naleving van de wet- en regelgeving ter zake en ook (zeer) hoge boetes uitdeelt wanneer banken de opgelegde taak onvoldoende uitvoeren. Waarbij, naast het treffen van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen jegens banken, overigens ook bestuurders van de banken strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. Vervolgens geeft de Algemeen directeur aan dat sprake is van een beleidsbeslissing waarbij vele belangen zijn afgewogen. De Algemeen directeur overweegt dat de bankmedewerker een zorgvuldige afweging van alle belangen dient te maken. De stelling van melder dat het klantbelang per definitie zwaarder zou wegen, gaat daarom niet op.

Voor wat betreft het derde onderdeel van de melding wijst de Algemeen directeur erop dat iDEAL een betaaldienst is, die niet in handen is van de bank, maar van een zelfstandige andere entiteit (verder kortweg: de betaaldienstverlener). En dat was ook in de door melder genoemde periode zo. Deze betaaldienstverlener had reeds in die periode beleid ontwikkeld om illegale transacties te voorkomen. Dit beleid is tot stand gekomen mede in samenspraak met toezichthouders DNB en AFM. Aldus was reeds sprake van door de betaaldienstverlener getroffen maatregelen ter voorkoming van de door melder gesignaleerde ongewenste betalingen.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

In zijn herzieningsuitspraak geeft de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken het door de Algemeen directeur ingenomen standpunt te onderschrijven en voegt daaraan toe: “Nu ik met de algemeen directeur van mening ben dat van de onder (a) genoemde situatie geen sprake is, uw melding voor wat betreft het persoonlijk verwijt naar de kern bezien betrekking heeft op de onder (b) genoemde situatie en uit de beslissing van de algemeen directeur en alle stukken die van het herzieningsdossier onderdeel uitmaken onvoldoende volgt welk persoonlijk handelen of nalaten de bankmedewerkers concreet wordt verweten, ben ik van oordeel dat de algemeen directeur op juiste gronden heeft kunnen beslissen tot het niet voorleggen van een klacht aan de Tuchtcommissie. Met de huidige stand van zaken acht ik een tuchtrechtelijke procedure niet de geëigende wijze om de door u geschetste problematiek aan de orde te stellen”.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken wijst de herzieningsverzoeken af.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Recente artikelen en vergelijkbare uitspraken

TRB-2025-4986-AD en TRB-2026-4986-HV
TRB-2025-4987-AD en TRB-2026-4987-HV

TRB-2025-4937-AD en TRB-2026-4937-HV

Medewerker kredietverlener valt niet onder bancair tuchtrecht

Kern van de uitspraak

Melding ziet op een medewerkster werkzaam bij een kredietverlener/financiële dienstverlener. Deze financiële dienstverlener is 100% dochter van een Nederlandse bankinstelling. Valt de medewerkster onder werking van het bankentuchtrecht?

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 1 oktober 2024 of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-AD.

De melder heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek om herziening ingediend. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van 23 december 2024 de samenvatting of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur heeft op formele gronden besloten geen onderzoek te doen naar de melding. De reden hiervoor is dat de financiële dienstverlener geen bankinstelling is in de zin van artikel 1.1. Wet op het financieel toezicht (verder: Wft), en daarmee ook niet valt onder de werking van artikel 3.23, lid 3 Wft.

De medewerkster waarop de melding ziet heeft de bankierseed niet afgelegd, en hoefde deze ook niet af te leggen omdat zij niet bij een Nederlandse bankinstelling werkt.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken oordeelt dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft geoordeeld dat het bancair tuchtrecht niet van toepassing is en dat een inhoudelijke beoordeling van de melding om die reden niet kan plaatsvinden.

Over de Wet op het financieel toezicht

De Wet op het financieel toezicht (Wft) beschrijft het toezicht op de hele financiële sector in Nederland. En bevat verplichtingen voor financiële instellingen. Veel van deze regels zijn uit Europa afkomstig. De financiële markten veranderen snel. Daarom wordt de Wft regelmatig gewijzigd om actueel te blijven.

Het toezicht op de financiële instellingen in Nederland wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Naast het toezicht op de financiële instellingen is in de Wft vastgelegd dat alle medewerkers werkzaam bij een bankinstelling met een Nederlandse bankvergunning een eed (de bankierseed) moeten afleggen, waarmee ze verklaren hun werk integer en zorgvuldig uit te voeren en zich toetsbaar op te stellen. Waarmee wordt bedoeld dat ze zich bewust zijn dat zij onder tuchtrechtelijk toezicht staan.

Wil je meer weten over het bancair tuchtrecht volg dan deze link.

 

 

Internetfraude, melding gericht tegen bankmedewerkers

Kern van de uitspraak

De melder, klant van de bank is slachtoffer geworden van internetfraude. Hij heeft hier spoedig melding van gedaan bij de bank, echter dit heeft er niet toe kunnen leiden dat de overboeking werd tegengehouden. De melder is van oordeel dat de bank niet adequaat heeft gehandeld en heeft hierover een klacht bij de bank ingediend. Over de afhandeling van de klacht is de melder ontevreden, en dient tegen vier bankmedewerkers, waaronder de CEO van de bank een melding in bij Tuchtrecht Banken.

Lees hieronder de samenvatting van een van de vier beslissingen of klik op de link voor de beslissing van de Algemeen directeur, TRB-2024-5021-AD, 30 mei 2024.

De melder heeft een verzoek om herziening bij de Voorzitter van Tuchtcommissie Banken ingediend.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur leidt zijn beslissing in met een toelichting op het doel en de reikwijdte van het bankentuchtrecht.

Het doel van Tuchtrecht Banken is om professionele bankmedewerkers aan te spreken op gedrag in strijd met de bankierseed en de daaraan verbonden Gedragscode. De Gedragsregels voor bankmedewerkers zijn gericht op gedragingen van de individuele medewerkers. Handelingen of dienstverlening van de bank als instelling zijn (expliciet) uitgesloten van de tuchtprocedure bij Tuchtrecht Banken.

Naar het oordeel van de Algemeen directeur ziet de melding in essentie op hoe de klachtbehandeling als geheel is verlopen. Daarover is de melder ontevreden. De Algemeen directeur beschouwt de algemene werkwijze/procedure met betrekking tot de klachtenafhandeling – dat wil zeggen: het niet op een specifieke, individuele bankmedewerker toespitste procesverloop – als een werkwijze/procedure van de bank als instelling, waarover hij niet kan oordelen. Dat valt buiten de toetsing van het gedrag van individuele bankmedewerkers.

De melder ziet de bankmedewerker, als CEO als (eind)verantwoordelijk voor het niet correct functioneren van de (klachten)procedure en hij is het niet eens met de uitkomst van de klachtenafhandeling. Naar het oordeel van de Algemeen directeur levert dit echter geen grond op voor een tuchtrechtelijk verwijt ten aanzien van deze bankmedewerker. Daarvoor moet het immers gaan om persoonlijk gedrag van die bankmedewerker. De Algemeen directeur zal geen verder onderzoek naar de melding uitvoeren.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter stelt vast dat de melder van mening is dat de CEO eindverantwoordelijk is voor alle zaken die door melder zijn  gemeld bij de Algemeen directeur, nu de bank onder andere op basis van de wettelijke zorgplicht verplicht zou zijn een correcte klachtbehandeling te hebben, waarvan niet is gebleken. Ter ondersteuning van zijn mening heeft de melder aan gevoerd dat de door hem verzonden brieven niet bij de gewenste afdeling terecht zijn gekomen.

De Voorzitter geeft aan dat in het herzieningsverzoek wederom aandacht wordt besteed aan handelingen van de bank (zelf) waarover het bancaire tuchtrecht zich niet uitstrekt. En dat het herzieningsverzoek niet ziet op het individuele handelen van de bankmedewerker. Om die reden ziet de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geen aanknopingspunten die nader onderzoek naar eventueel tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de bankmedewerker zouden rechtvaardigen.

Klik op de link voor de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken, TRB-2024-5021-HV, 29 augustus 2024.

De beslissingen op de drie andere vergelijkbare meldingen zijn te vinden via de hieronder opgenomen verwijzingen:

TRB-2024-5037-AD en TRB-2024-5037-HV

TRB-2024-5038-AD en TRB-2024-5038-HV

TRB-2024-5042-AD en TRB-2024-5042-HV