Tuchtrechtelijk traject niet bedoeld voor verkapt beroep andere procedures

Kern van de uitspraak

Tuchtrecht Banken dient terughoudend te zijn bij de aanwezigheid van andere procedures, zoals geschilprocedures. Het is niet de bedoeling dat een tuchtrechtelijk traject wordt gebruikt als verkapt beroep ten aanzien van zo’n procedure.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 14 oktober 2024, of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5072-AD. De melder heeft een verzoek om herziening ingediend. Klik op de link voor de volledige uitspraak van de Voorzitter van de  tuchtcommissie TRB-2024-5072-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Melder stelt dat de bankmedewerker in verschillende (interne en externe klachtprocedures) tussen melder en de bank onwaarheden heeft verkondigd over een door de melder in 2008 afgesloten hypotheek en levensverzekering. Ten tijde van het indienen van de melding bij Tuchtrecht Banken was bij het Kifid een klacht van melder in behandeling. De melding bij Tuchtrecht Banken heeft mede betrekking op hetgeen door de bankmedewerker in de Kifid-procedure naar voren is gebracht. Lopende het vooronderzoek naar de melding heeft het Kifid de uitspraak bekend gemaakt. Kifid heeft de klacht ongegrond verklaard.

De Algemeen directeur is van oordeel dat de in de melding geuite verwijten over de gedragingen van de bankmedewerker onvoldoende concreet zijn onderbouwd. Om deze reden besluit de Algemeen directeur geen tuchtrechtelijk onderzoek in te stellen.

Verder merkt de Algemeen directeur op dat Tuchtrecht Banken ten aanzien van de onderhavige melding (in beginsel) enige terughoudendheid dient te betrachten indien de melding ziet op gedragingen in andere (geschil)procedures. Dat (procedurele) gedrag dient dan immers primair daar aan de orde te worden gesteld en Tuchtrecht Banken dient ten aanzien van een dergelijke melding (in beginsel) enige terughoudendheid te betrachten; het is niet de bedoeling dat een tuchtrechtelijk traject wordt gebruikt als verkapt beroep ten aanzien van zo’n procedure.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

In het herzieningsverzoek geeft de melder aan dat beroep is ingesteld tegen de beslissing van het Kifid, waardoor van verkapt beroep geen sprake kan zijn en geeft hij (wederom) een toelichting op het feitencomplex vanaf de aanvraag voor de hypotheek en levensverzekering. Voor wat betreft het handelen in strijd met de bankierseed door de bankmedewerker in de Kifid procedure stelt de melder dat de bankmedeweker geen juiste weergave van de feiten heeft geschetst en daarmee willens en weten fraude van de bank heeft verdedigd.

De voorzitter van de tuchtcommissie geeft aan dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn ingediend die een onderzoek wegens in strijd handelen met de bankierseed zouden rechtvaardigen. De enkele verwijzing naar een door de bank in de Kifid procedure ingebracht document is onvoldoende als bewijsstuk en daarbij dient de nodige terughoudendheid te worden betracht over (het oordelen over) gedragingen in andere procedures, aldus de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Antedatering van stukken

Kern van de uitspraak

Bank heeft melding gemaakt van een bankmedewerkster die brieven, notities en e-mails zou hebben vervalst (althans geantedateerd) om haar minder goede performance te verbloemen.
Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 9 augustus 2024, of klik op de link voor volledige beslissing TRB-2024-4930-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur stelt vast dat uit onderzoek van de bank gebleken is dat de bankmedewerkster heeft verklaard dat bepaalde brieven wel verzonden zouden zijn en deze niet in het dossier aanwezig waren, of deze bleken op een andere datum te zijn verzonden dan blijkt uit de dagtekening van de brief zoals opgenomen in het dossier.

De Algemeen directeur stelt verder vast dat de dossiers voor iedereen op de afdeling benaderbaar waren en het, gezien het verweer van de bankmedewerkster, niet uitgesloten kan worden dat er stukken uit haar dossiers zijn verwijderd door derden.

Op verzoeken om hulp van de bankmedewerkster werd door haar teamgenoten onvoldoende serieus gereageerd waardoor zij vastliep en er achterstanden ontstonden. Hetgeen er toe heeft geleid dat de bankmedewerkster -op eigen initiatief- haar ontslag heeft ingediend en afstand deed van de aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst die zij had met de bank. De bankmedewerkster verklaarde dat zij gezien de werksfeer en de arbeidsomstandigheden waarin zij verkeerde zichzelf niet zag terugkeren op de werkvloer.

Vaststaat dat sprake was van  onregelmatigheden in de dossiers, in strijd met de eisen en instructies die voor het dossierbeheer golden. Aldus heeft de bankmedewerker gedragsregel 1 (de bankmedewerker werkt integer en zorgvuldig) en gedragsregel 4 (de bankmedewerker houdt zich aan de wet en andere regels die voor het werk bij de bank gelden) geschonden. De Algemeen directeur acht de schending van (de gedragsregels verbonden aan) de bankierseed voldoende ernstig dat hij (in beginsel) grond heeft om een klacht aan de Tuchtcommissie Banken voor te leggen.

Hier staat echter tegenover dat aan die onregelmatigheden in uw dossiers geen kwade bedoeling ten grondslag lag en dat niet vast is komen te staan dat haar handelen een negatief effect heeft gehad op de afhandeling van de door de bank onderzochte dossiers. Hoewel de bank deze conclusie wel trekt, blijkt uit het onderzoeksrapport dat er op dit onderdeel geen onderzoek is gedaan.

De Algemeen directeur heeft de bankmedewerkster een schikking voorgesteld inhoudende een voorwaardelijke geldboete van € 250,- . De schikking is geaccepteerd.

De naam van bankmedewerkster is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Naam verkoper achterhaald uit banksystemen

Kern van de uitspraak

Bankmedewerkster heeft de systemen van de bank gebruikt om de persoonsgegevens van één van de (bank)klanten te achterhalen naar aanleiding van een privégeschil over een aankoop via internet.
Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 5 augustus 2024 of lees hier de volledige beslissing TRB-2024-4995-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Vast staat dat de bankmedewerkster ongeoorloofd de gegevens heeft bekeken van de klant van de bank en het hiermee verkregen e-mailadres heeft gebruikt om haar aan te spreken aangaande een persoonlijk geschil over de aankoop via Marktplaats.

Haar handelen is tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met wat van een integer en zorgvuldig handelend bankmedewerker mag worden verwacht. Met haar handelen heeft de bankmedewerkster gedragsregel 1 (de bankmedewerker werkt integer en zorgvuldig) en gedragsregel 4 (de bankmedewerker houdt zich aan de wet en andere regels die voor het werk bij de bank gelden) geschonden.

De bankmedewerkster heeft toen ze zich bewust werd dat ze in strijd met de regels had gehandeld, contact opgenomen met de vertrouwenspersoon binnen de bank. Zowel tijdens het onderzoek bij de bank als bij Tuchtrecht Banken heeft de bankmedewerkster aangegeven het kwalijke van haar handelen in te zien en heeft zijn berouw getoond.

De Algemeen directeur acht het onvoldoende opportuun een klacht aan de Tuchtcommissie voor te leggen (of op andere wijze een tuchtrechtelijke sanctie te doen opleggen) en seponeert de zaak.

Vertrouwelijke informatie buiten de bank gebracht

Kern van de uitspraak

Bankmedewerker heeft bij het vertrek bij de vorige werkgevers (vertrouwelijke) informatie vanuit de beveiligde omgeving van de bank verzonden naar haar privé-mailadres. De mate van vertrouwelijkheid van de informatie heeft de Algemeen directeur, niet kunnen vaststellen vanwege het ontbreken van een voldoende toelichting door de bank.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 9 april 2024 of lees hier de volledige beslissing TRB-2024-4807-AD en TRB-2024-4897-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Door het ongeoorloofd buiten (de beveiligde omgeving van) de bank brengen van werkdocumenten van de bank heeft de bankmedewerker in strijd gehandeld met de regels van de bank. Aldus heeft de bankmedewerker niet integer en onzorgvuldig gehandeld, hetgeen een schending van de gedragsregels van de aan de bankierseed verbonden Gedragscode oplevert (meer specifiek: gedragsregels 1, 4 en 5).Daarmee zou (in beginsel) grond aanwezig zijn om een klacht aan de Tuchtcommissie Banken voor te leggen.

De Algemeen directeur besluit echter dat om meerdere redenen kan worden volstaan met een krachtens minnelijke schikking op te leggen voorwaardelijke geldboete. Hiertoe overweegt hij dat de mate van vertrouwelijkheid van de werkdocumenten die buiten de bank zijn gebracht, onvoldoende is komen vast te staan. Ook niet nadat de Algemeen directeur nadere informatie aan de bank had gevraagd. Echter omdat het buiten (de beveiligde omgeving van) de bank brengen van werkdocumenten geen eenmalige ongelukkige exercitie is geweest, besluit de Algemeen directeur wel een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen in de vorm van een voorwaardelijke geldboete van € 500,- opgelegd.

De naam van de bankmedewerker is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Medewerker kredietverlener valt niet onder bancair tuchtrecht

Kern van de uitspraak

Melding ziet op een medewerkster werkzaam bij een kredietverlener/financiële dienstverlener. Deze financiële dienstverlener is 100% dochter van een Nederlandse bankinstelling. Valt de medewerkster onder werking van het bankentuchtrecht?

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 1 oktober 2024 of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-AD.

De melder heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek om herziening ingediend. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van 23 december 2024 de samenvatting of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur heeft op formele gronden besloten geen onderzoek te doen naar de melding. De reden hiervoor is dat de financiële dienstverlener geen bankinstelling is in de zin van artikel 1.1. Wet op het financieel toezicht (verder: Wft), en daarmee ook niet valt onder de werking van artikel 3.23, lid 3 Wft.

De medewerkster waarop de melding ziet heeft de bankierseed niet afgelegd, en hoefde deze ook niet af te leggen omdat zij niet bij een Nederlandse bankinstelling werkt.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken oordeelt dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft geoordeeld dat het bancair tuchtrecht niet van toepassing is en dat een inhoudelijke beoordeling van de melding om die reden niet kan plaatsvinden.

Over de Wet op het financieel toezicht

De Wet op het financieel toezicht (Wft) beschrijft het toezicht op de hele financiële sector in Nederland. En bevat verplichtingen voor financiële instellingen. Veel van deze regels zijn uit Europa afkomstig. De financiële markten veranderen snel. Daarom wordt de Wft regelmatig gewijzigd om actueel te blijven.

Het toezicht op de financiële instellingen in Nederland wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Naast het toezicht op de financiële instellingen is in de Wft vastgelegd dat alle medewerkers werkzaam bij een bankinstelling met een Nederlandse bankvergunning een eed (de bankierseed) moeten afleggen, waarmee ze verklaren hun werk integer en zorgvuldig uit te voeren en zich toetsbaar op te stellen. Waarmee wordt bedoeld dat ze zich bewust zijn dat zij onder tuchtrechtelijk toezicht staan.

Wil je meer weten over het bancair tuchtrecht volg dan deze link.

 

 

Internetfraude, melding gericht tegen bankmedewerkers

Kern van de uitspraak

De melder, klant van de bank is slachtoffer geworden van internetfraude. Hij heeft hier spoedig melding van gedaan bij de bank, echter dit heeft er niet toe kunnen leiden dat de overboeking werd tegengehouden. De melder is van oordeel dat de bank niet adequaat heeft gehandeld en heeft hierover een klacht bij de bank ingediend. Over de afhandeling van de klacht is de melder ontevreden, en dient tegen vier bankmedewerkers, waaronder de CEO van de bank een melding in bij Tuchtrecht Banken.

Lees hieronder de samenvatting van een van de vier beslissingen of klik op de link voor de beslissing van de Algemeen directeur, TRB-2024-5021-AD, 30 mei 2024.

De melder heeft een verzoek om herziening bij de Voorzitter van Tuchtcommissie Banken ingediend.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur leidt zijn beslissing in met een toelichting op het doel en de reikwijdte van het bankentuchtrecht.

Het doel van Tuchtrecht Banken is om professionele bankmedewerkers aan te spreken op gedrag in strijd met de bankierseed en de daaraan verbonden Gedragscode. De Gedragsregels voor bankmedewerkers zijn gericht op gedragingen van de individuele medewerkers. Handelingen of dienstverlening van de bank als instelling zijn (expliciet) uitgesloten van de tuchtprocedure bij Tuchtrecht Banken.

Naar het oordeel van de Algemeen directeur ziet de melding in essentie op hoe de klachtbehandeling als geheel is verlopen. Daarover is de melder ontevreden. De Algemeen directeur beschouwt de algemene werkwijze/procedure met betrekking tot de klachtenafhandeling – dat wil zeggen: het niet op een specifieke, individuele bankmedewerker toespitste procesverloop – als een werkwijze/procedure van de bank als instelling, waarover hij niet kan oordelen. Dat valt buiten de toetsing van het gedrag van individuele bankmedewerkers.

De melder ziet de bankmedewerker, als CEO als (eind)verantwoordelijk voor het niet correct functioneren van de (klachten)procedure en hij is het niet eens met de uitkomst van de klachtenafhandeling. Naar het oordeel van de Algemeen directeur levert dit echter geen grond op voor een tuchtrechtelijk verwijt ten aanzien van deze bankmedewerker. Daarvoor moet het immers gaan om persoonlijk gedrag van die bankmedewerker. De Algemeen directeur zal geen verder onderzoek naar de melding uitvoeren.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter stelt vast dat de melder van mening is dat de CEO eindverantwoordelijk is voor alle zaken die door melder zijn  gemeld bij de Algemeen directeur, nu de bank onder andere op basis van de wettelijke zorgplicht verplicht zou zijn een correcte klachtbehandeling te hebben, waarvan niet is gebleken. Ter ondersteuning van zijn mening heeft de melder aan gevoerd dat de door hem verzonden brieven niet bij de gewenste afdeling terecht zijn gekomen.

De Voorzitter geeft aan dat in het herzieningsverzoek wederom aandacht wordt besteed aan handelingen van de bank (zelf) waarover het bancaire tuchtrecht zich niet uitstrekt. En dat het herzieningsverzoek niet ziet op het individuele handelen van de bankmedewerker. Om die reden ziet de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geen aanknopingspunten die nader onderzoek naar eventueel tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de bankmedewerker zouden rechtvaardigen.

Klik op de link voor de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken, TRB-2024-5021-HV, 29 augustus 2024.

De beslissingen op de drie andere vergelijkbare meldingen zijn te vinden via de hieronder opgenomen verwijzingen:

TRB-2024-5037-AD en TRB-2024-5037-HV

TRB-2024-5038-AD en TRB-2024-5038-HV

TRB-2024-5042-AD en TRB-2024-5042-HV

document toegevoegd aan hypotheekdossier en handtekeningen gekopieerd

Kern van de uitspraak

De bankmedewerker heeft ten behoeve van een hypotheekaanvraag van een klant van de bank een addendum bij een koopakte opgesteld en onder dit addendum  de uit de koopakte gekopieerde handtekeningen van de koper en verkoper geplakt. Daardoor leek het alsof de klant van de bank (koper) en de andere partij (verkoper) zelf dit addendum hebben ondertekend, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was.

Wat is het oordeel van de Tuchtcommissie Banken

De Tuchtcommissie Banken stelt dat klanten van een bank er te allen tijde op moeten kunnen vertrouwen dat op een integere manier wordt omgegaan met informatie en documenten die zij aan de bank verstrekken. Door ondertekening van een stuk staan klanten in voor de juistheid van de door hen verstrekte informatie. De handelwijze van de bankmedewerker raakt daarmee de kern van het vertrouwen dat door klanten in de bank mag worden gesteld. Dat de inhoud van het addendum in dit geval conform de wens van partijen was, doet hieraan niet af. De bankmedewerker is immers voorbijgegaan aan het feit dat de bank en overige betrokkenen moeten kunnen uitgaan van de authenticiteit van stukken.

In de overwegingen merkt de Tuchtcommissie op dat zij de bankmedewerker aanvullende vragen had willen stellen over onder meer de feitelijke gang van zaken en de omstandigheden waaronder de bankmedewerker zijn werkzaamheden moest verrichten. Echter nu de bankmedewerker niet op de zitting is verschenen en daardoor geen nadere toelichting op zijn handelwijze heeft kunnen geven, heeft de Tuchtcommissie Banken geen rekening kunnen houden met eventuele andere feiten en omstandigheden.

De Tuchtcommissie Banken acht de gedragsregel 1 en 4 geschonden en legt aan de bankmedewerker als maatregel een beroepsverbod van twee weken op.

De bankmedewerker heeft beroep aangetekend om zo de mogelijkheid te krijgen om aanvullende vragen, die de Tuchtcommissie Banken had willen stellen over de feitelijke gang van zaken en de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden moest verrichten, alsnog te beantwoorden. De bankmedewerker voert aan dat Er geen sprake is geweest van persoonlijk gewin, er niemand is bevoordeeld of benadeeld en hij zegt  veel spijt te hebben van zijn foutieve handelwijze. De mogelijke gevolgen van een onvoorwaardelijk beroepsverbod hebben voor hem  een grote impact.

Lees hier de beslissing van de Tuchtcommissie Banken TRB-2024-4846-TC.

Wat is het oordeel van de Commissie van Beroep Banken

De Commissie van Beroep geeft aan dat het de bankmedewerker ernstig is aan te rekenen dat hij op de verschillende te onderscheiden momenten niet alleen een verkeerde afweging heeft gemaakt, maar ook heeft verzuimd in overleg te treden met zijn leidinggevende of advies in te winnen bij een andere collega over hoe het beste te handelen. De handelwijze van de bankmedewerker is aan te merken als overtreding van de gedragsregels 1 en 4 van de aan de bankierseed verbonden Gedragsregels Bancaire Sector. Daarmee is de klacht gegrond.

Met schending van deze integriteitsnorm kan ook naar het oordeel van de Commissie van Beroep niet worden volstaan met een voorwaardelijk beroepsverbod.

Het opleggen van een onvoorwaardelijk beroepsverbod ziet de Commissie van Beroep Banken als een krachtig signaal aan de bankmedewerker en de samenleving dat met het opleggen van een voorwaardelijk beroepsverbod van langere duur niet volstaan kan worden. Met een onvoorwaardelijk beroepsverbod wordt duidelijk gemaakt dat het vervalsen van stukken ongeacht de achterliggende bedoelingen uit den boze is.

Alles afwegende acht de Commissie van Beroep Banken een onvoorwaardelijk beroepsverbod van twee weken passend en geboden. Dat – zoals de bankmedewerker stelt – het opleggen van een onvoorwaardelijk beroepsverbod door de bank zal worden aangemerkt als melding van een nieuw incident kan de Commissie van Beroep niet volgen omdat met deze beslissing enkel een (definitief) oordeel wordt gegeven over het incident uit 2022 waarop deze beslissing ziet. Dat de uitkomst van deze tuchtprocedure negatieve gevolgen kan hebben op zijn loopbaan is een onvermijdelijk gevolg van het normoverschrijdend gedrag van de bankmedewerker zelf.

Lees hier de beslissing van de Commissie van Beroep Banken TRB-2024-4846-CB.

De naam van de bankmedewerker is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

 

 

Zelfverrijking door bankmedewerker

Kern van de uitspraak

De bankmedewerker heeft via het bestelplatform van de bank -dat uitsluitend voor werk-gerelateerde doeleinden gebruikt mag worden- diverse cadeauartikelen besteld ter waarde van ruim € 3.000,-. Daarmee heeft hij oneigenlijk gebruik gemaakt van het bestelplatform en zichzelf verrijkt. De bank heeft een melding ingediend bij Tuchtrecht Banken. Ook heeft de bank de persoonsgegevens van de bankmedewerker opgenomen in het Externe
Verwijzingsregister en het Incidentenregister voor de maximale duur van 8 jaren en strafrechtelijk aangifte gedaan.

Lees hieronder de samenvatting van de uitspraak van de Tuchtcommissie Banken of klik op de link voor volledige uitspraak TRB-2024-4890-TC, 24 december 2024.

Wat is het oordeel van de Tuchtcommissie Banken

De Tuchtcommissie Banken stelt vast dat de bankmedewerker de gedragsregels heeft overtreden doordat hij ten gunste van zichzelf oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het bestelplatform van de bank. Door dit handelen heeft de bankmedewerker zich niet aan de wet, en niet aan de binnen de bank geldende regels gehouden. Ook heeft hij zich en zich niet integer en zorgvuldig gedragen.

Naar het oordeel van de Tuchtcommissie Banken heeft de bankmedewerker dan ook de gedragsregel 1 (niet integer en zorgvuldig gedragen) en gedragsregel 4 (niet gehouden aan de wet en de binnen de bank geldende regels gehouden) de aan de bankierseed verbonden Gedragsregels Bancaire Sector geschonden. De Tuchtcommissie Banken legt een beroepsverbod van een jaar op, waarmee de tuchtcommissie het voorstel van de Algemeen directeur volgt.

De naam van de bankmedewerker is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

Strafrechtelijk verleden verzwegen

Kern van de uitspraak

De bankmedewerkster heeft bij het invullen van de ‘Eigen verklaring inzake screening bij indiensttreding’ niet vermeld dat zij in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de ondertekening van de ‘Eigen Verklaring inzake screening bij indiensttreding’ strafrechtelijk is veroordeeld.

Lees hieronder de samenvatting van de uitspraak van Tuchtcommissie Banken of klik op de link voor volledige uitspraak TRB-2024-4948, 24 december 2024.

Wat is het oordeel van de Tuchtcommissie Banken

De Tuchtcommissie Banken is van oordeel dat de bankmedewerkster, gelet op haar strafrechtelijke veroordeling op Aruba, de ‘Eigen verklaring inzake screening bij indiensttreding’ tot twee keer toe onjuist heeft ingevuld.

Met haar handelen heeft de bankmedewerkster een onjuist beeld gewekt bij de bank over haar justitiële documentatie en voor de beoordeling van haar integriteit relevante feiten. Naar het oordeel van de tuchtcommissie heeft de bankmedewerkster niet integer en zorgvuldig gehandeld en daarmee de gedragsregels 1 van de aan de bankierseed verbonden Gedragscode geschonden. Ook heeft zij houdt zich niet gehouden aan de wet en andere regels die voor het werk bij de bank, waarmee gedragsregel 4 is geschonden.

De Tuchtcommissie Banken legt aan de bankmedewerkster een beroepsverbod van zes maanden op, hiermee volgt de tuchtcommissie het voorstel van de Algemeen directeur.

De naam van de bankmedewerkster is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

Recente artikelen en vergelijkbare uitspraken

De Tuchtcommissie Banken heeft zich eerder geoordeeld over een bankmedewerker die de “Eigen verklaring inzake screening bij indiensttreding’ niet correct had ingevuld, zie hiervoor de uitspraak: Strafrechtelijk verleden verzwegen bij aanstelling, TRB-2024-4844-TC.

 

Vallen privégedragingen onder het tuchtrecht?

Kern van de uitspraak

De melder verwijt de bankmedewerkster (zijn ex-echtgenote) zijn handtekening te hebben vervalst bij het indienen van de aanvraag wijziging van een nog op beider naam staande overlijdensrisicoverzekering. De ingediende wijziging zag op het verwijderen van de man als (tweede) verzekeringnemer.

De Algemeen directeur is van oordeel dat de gestelde gedragingen privé handelingen betreffen die niet onder de reikwijdte van het bankentuchtrecht vallen.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5056-AD, 20 november 2024.

De melder heeft om herziening verzocht. De samenvatting van de beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken volgt na de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken TRB-2024-5056-HV, 28 december 2024.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Uit de toelichting op de melding en ook uit een eerder ingediende melding (TRB-2024-4970-AD) ziet  de Algemeen directeur een beeld ontstaan van slepende onmin tussen melder en zijn ex-echtgenote (de bankmedewerkster) na de relatiebeëindiging en dat het onderhavige handelen een uitvloeisel daarvan is.

De Algemeen directeur is van oordeel dat bij het onderhavige handelen geen sprake is van bijzondere, prangende raakvlakken met (de positie van) de bank als hierboven bedoeld. Uit de aangeleverde stukken blijkt dat het wijzigingsverzoek is verstuurd vanuit het privé e-mailadres van de bankmedewerkster en dat daarvoor geen bedrijfsmiddelen van de bank zijn gebruikt. Ook overigens geven de door melder overgelegde stukken geen blijk van bijzondere, prangende raakvlakken met (de positie van) de bank. De Algemeen directeur komt dus tot de conclusie dat er onvoldoende aanleiding is om het onderhavige privé-handelen van de bankmedewerkster onderwerp van een tuchtrechtelijke toetsing te laten zijn en zal daarom geen nader onderzoek doen. De Algemeen directeur sluit dan ook de melding.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

In het herzieningsverzoek wordt gesteld dat de voorliggende melding volledig los staat van de vorige melding jegens de bankmedewerkster. Ook geeft de melder aan dat de verzekeraar het onderzoek heeft afgerond en heeft geconcludeerd dat er een onterechte wijziging heeft plaatsgevonden zodat deze ongedaan is gemaakt. Volgens de melder staat deze gedraging van de bankmedewerkster niet op zichzelf, hij vindt dat aan dergelijke handelingen een halt moeten worden toegeroepen.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie banken is van oordeel dat de door de melder aangehaalde omstandigheden niet het oordeel van de algemeen directeur bestrijden dat onvoldoende raakvlakken met de bank bestaan. Het herzieningsverzoek wordt afgewezen.

Zie ook TRB-2024-4970-AD.