Melding over onvoldoende uitoefenen poortwachtersrol Wwft

Kern van de uitspraak

De melding ziet op het niet voldoende uitoefenen (door de bank) van de in de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering terrorisme) opgenomen poortwachtersrol. De melder is van mening dat de leiding van de bank persoonlijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ter onderbouwing verwijst melder onder andere naar de schikking die de bank en het Openbaar Ministerie (OM) hebben getroffen.

De Algemeen directeur is naar aanleiding van de ingediende melding onderzoek gestart. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek ziet de Algemeen geen aanleiding een tuchtklacht voor te leggen en sluit hij het dossier.

Lees hieronder de samenvatting van de uitspraak van de Tuchtcommissie Banken van 17 juni 2025 of klik op de link voor volledige beslissing: TRB-2025-4629-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing eerst aan hoe hij te werk is gegaan. Zijn onderzoek is gestart met het bestuderen en analyseren van het “Feitenrelaas Guardian”, opgesteld door het OM (publicatie april 2021), daarnaast heeft hij (nadere) informatie bij de bank opgevraagd. De bank heeft de gevraagde informatie verstrekt.

In de verdere loop van het onderzoek heeft de Algemeen directeur nog diverse informatieverzoeken uitgezet bij de bank. Ook deze zijn door de bank beantwoord. De informatie inclusief de reacties van de bank vormden een (onderzoeks)dossier van aanzienlijke omvang. Het laatstelijk toegevoegde stuk is ontvangen op 6 februari 2025. Ook zijn, ter inzage van (specifieke) informatie, meerdere bezoeken aan de bank gebracht. Daarnaast zijn er (hoor)gesprekken gevoerd (laatstelijk op 12 september 2024). Hiervan zijn gespreksverslagen opgesteld. Het schriftelijke (onderzoeks)dossier heeft zijn eindvorm en -omvang gekregen op 6 februari 2025.

In zijn beslissing geeft de Algemeen directeur de kaders aan waarbinnen de tuchtrechtelijke beoordeling plaatsvindt. Het (bancair) tuchtrecht kent een eigen (zelfstandig) toetsingskader en dit bestaat dus naast het toetsingskader van (bijvoorbeeld) het strafrecht. Tuchtrecht en strafrecht dienen verschillende doelen.

De Algemeen directeur merkt in zijn beslissing op (en hier vereenvoudigd weergegeven) dat het bancair tuchtrecht uitsluitend ziet op het persoonlijke gedrag van een banking professional (bankmedewerker). Daar waar wordt vastgesteld dat de bank als instelling is tekortgeschoten in de uitvoering van een wettelijke taak, maakt dat nog niet dat in tuchtrechtelijke zin (lees: in gedragsrechtelijke zin) verwijten te maken zijn jegens de (individuele) bankmedewerkers die voor het functioneren van de bank eindverantwoordelijkheid dragen.

De Algemeen directeur stelt vast dat toen de bankierseed en het daaraan verbonden bancaire tuchtrecht hun intrede deden (startpunt voor de tuchtrechtelijke beoordeling), waren de eerste signalen al bij de bank binnengekomen (aanschrijvingen door toezichthouder DNB) waarin erop werd gewezen dat de uitvoering van de uit de Wwft voortvloeiende poortwachtersrol tekortschoot bij haar businessonderdeel Private Banking Nederland.

De bank heeft naar aanleiding daarvan een (op dat businessonderdeel betrekking hebbend) herstel- en verbetertraject op touw gezet. Vervolgens bleek ook dat bij andere bedrijfsonderdelen de uitvoering van de poortwachtersrol tekortschoot. En uiteindelijk bleek dat het tekortschieten van de bank in de uitvoering van de uit de Wwft voortvloeiende poortwachtersrol een zodanig breed bereik had dat eind 2018 is besloten tot een gecentraliseerde aanpakmethode middels lancering van het zogeheten Detecting Financial Crime-programma (DFC).

Binnen het tuchtrechtelijk kader dient te worden beoordeeld of de bankmedewerkers op wie de melding betrekking heeft een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Uit het onderzoek van de Algemeen directeur blijkt dat de tekortkoming in de uitvoering van de poortwachtersrol binnen de bank over een lange periode heeft plaatsgevonden en dat in die periode verschillende stappen zijn gezet. Deze stappen (de herstel- en verbetertrajecten) bleken achteraf onvoldoende effectief. Dat deze stappen achteraf niet effectief bleken maakt nog niet dat het tuchtrecht in beeld komt, zo stelt de Algemeen directeur. Dat kan echter anders worden, geeft de Algemeen directeur in zijn beslissing aan, indien op voorhand kenbaar (voorzienbaar) was dat die decentrale herstel- en verbetertrajecten onvoldoende effectief zouden zijn. Dan wel anderszins kan worden gesproken van onvoldoende zorg betrachten in het besluitvormingsproces aangaande het adresseren en verhelpen van de gesignaleerde tekortkomingen.

Uit het onderzoek zijn echter geen zaken naar voren gekomen die in die richting wijzen. Zo zijn er geen indicaties gevonden dat is geknepen op budget of anderszins ‘business boven compliance’ is gesteld. De Algemeen directeur ziet evenmin aanleiding om te concluderen dat spoediger op het spoor van een gecentraliseerde aanpakmethode had kunnen worden overgegaan.

De Algemeen directeur ziet onvoldoende aanleiding om een (tucht)klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken en gaat over tot sluiting van het dossier.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

Medewerker kredietverlener valt niet onder bancair tuchtrecht

Kern van de uitspraak

Melding ziet op een medewerkster werkzaam bij een kredietverlener/financiële dienstverlener. Deze financiële dienstverlener is 100% dochter van een Nederlandse bankinstelling. Valt de medewerkster onder werking van het bankentuchtrecht?

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 1 oktober 2024 of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-AD.

De melder heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek om herziening ingediend. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van 23 december 2024 de samenvatting of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-5074-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur heeft op formele gronden besloten geen onderzoek te doen naar de melding. De reden hiervoor is dat de financiële dienstverlener geen bankinstelling is in de zin van artikel 1.1. Wet op het financieel toezicht (verder: Wft), en daarmee ook niet valt onder de werking van artikel 3.23, lid 3 Wft.

De medewerkster waarop de melding ziet heeft de bankierseed niet afgelegd, en hoefde deze ook niet af te leggen omdat zij niet bij een Nederlandse bankinstelling werkt.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken oordeelt dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft geoordeeld dat het bancair tuchtrecht niet van toepassing is en dat een inhoudelijke beoordeling van de melding om die reden niet kan plaatsvinden.

Over de Wet op het financieel toezicht

De Wet op het financieel toezicht (Wft) beschrijft het toezicht op de hele financiële sector in Nederland. En bevat verplichtingen voor financiële instellingen. Veel van deze regels zijn uit Europa afkomstig. De financiële markten veranderen snel. Daarom wordt de Wft regelmatig gewijzigd om actueel te blijven.

Het toezicht op de financiële instellingen in Nederland wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Naast het toezicht op de financiële instellingen is in de Wft vastgelegd dat alle medewerkers werkzaam bij een bankinstelling met een Nederlandse bankvergunning een eed (de bankierseed) moeten afleggen, waarmee ze verklaren hun werk integer en zorgvuldig uit te voeren en zich toetsbaar op te stellen. Waarmee wordt bedoeld dat ze zich bewust zijn dat zij onder tuchtrechtelijk toezicht staan.

Wil je meer weten over het bancair tuchtrecht volg dan deze link.

 

 

Vertrouwelijke informatie buiten de bank gebracht

Kern van de uitspraak

Levert het (ongeoorloofd) naar buiten brengen van vertrouwelijke informatie van de bank een schending op van de Gedragscode verbonden aan de bankierseed?

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing van de Algemeen directeur TRB-2024-4908-AD 14 juni 2024.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Uit de melding die is ingediend door de bank blijkt dat de bankmedewerker, ten tijde van zijn vertrek bij de bank, ongeoorloofd vertrouwelijke informatie naar buiten heeft gebracht. De bankmedewerker heeft kort voor het einde van zijn dienstverband bij de bank naast privédocumenten ook zakelijke documenten inclusief enkele klantgegevens vanuit zijn zakelijke e-mailaccount overgezet naar zijn privé-omgeving.

De bankmedewerker stelt zich op het standpunt dat zijn handelen weliswaar niet geheel correct is geweest maar dat er zich wel verzachtende omstandigheden voordeden. Zo stelt de bankmedewerker dat het gebruikelijk was om privébestanden in de zakelijke omgeving te hebben waardoor dit gemakkelijk door elkaar kon lopen. De betreffende stukken zijn volgens de bankmedewerker zonder slechte intentie meegekomen. De stukken zouden niet relevante en verouderde informatie bevatten die niet bruikbaar zijn voor zijn nieuwe functie bij een buitenlandse bank.

De Algemeen directeur stelt vast dat de bankmedewerker onzorgvuldig heeft gehandeld, hetgeen een schendig van (de gedragscode verbonden aan) de bankierseed oplevert (meer specifiek: gedragsregels 1, 4 en 5), hetgeen in beginsel grond is om een klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken. Op grond van hetgeen de bankmedewerker in zijn verweer naar voren heeft gebracht en omdat hij heeft onderkend en inzicht heeft getoond dat hij anders had behoren te handelen heeft de Algemeen directeur besloten een minnelijke schikking aan de bankmedewerker voor te leggen. Bij zijn overwegingen betrok de Algemeen directer nog dat de bank had aangeven de melding te willen intrekken. Intrekking van een melding is om formele redenen niet mogelijk waardoor niet aan het verzoek van de bank kon worden tegemoetgekomen.

Algemeen directeur heeft een minnelijke schikking voorgesteld inhoudende een geldboete van € 500,-De minnelijke schikking is geaccepteerd.

Vertrouwelijke informatie buiten de bank gebracht

Kern van de uitspraak

De melding ziet op een bankmedewerker die kort voordat hij de bank zou gaan verlaten, naar aanleiding van een reorganisatie, vertrouwelijke informatie (ongeoorloofd) buiten (de beveiligde omgeving van) de bank heeft gebracht. De informatie is door de bankmedewerker buiten de bank gebracht door deze te mailen van zijn zakelijk e-mailaccount naar zijn privé e-mailaccount.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-4885-AD, 5 november 2024.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De bank heeft een melding bij Tuchtrecht Banken ingediend, nadat uit een intern onderzoek bleek dat de (oud)bankmedewerker bankgegevens naar zijn privé e-mailadres had verstuurd. Het onderzoek heeft plaatsgevonden nadat de bankmedewerker al uit dienst was. De bank heeft de bankmedewerker schriftelijk verzocht tot verwijdering van de gegevens. Naast het indienen van de melding heeft de bank kennelijk geen aanleiding voor het treffen van eventuele overige maatregelen jegens de bankmedewerker, die toen al uit dienst was.

In zijn toelichting heeft de bankmedewerker aangegeven dat hem een deadline was gesteld voor het opschonen van zijn zakelijke laptop voor het veilligstellen van privé-documenten. Onder tijdsdruk heeft hij de schifting tussen de veilig te stellen privé-documenten en de daarvan te onderscheiden bankdocumenten abusievelijk een aantal tot deze laatste categorie behorende documenten er niet uit gefilterd zodat toen abusievelijk ook die documenten zijn meegezonden. Direct na constatering van dit laatste heeft de bankmedewerker de desbetreffende documenten verwijderd. Al met al is dus weliswaar sprake van het buiten (de beveiligde omgeving van) de bank brengen van bankinformatie maar zonder dat dit zijn intentie is geweest. Hij geeft aan dat hij scherper had dienen te zijn, maar dat hij wel te goeder trouw handelde. Daarnaast heeft de bankmedewerker aangegeven dat naar zijn mening de (daadwerkelijke) gevoeligheid van de informatie in kwestie dient te worden gerelativeerd.

De Algemeen directeur is van oordeel dat de bankmedewerker in strijd met de door hem in acht te nemen regels van de bank en niet integer en onzorgvuldig gehandeld, hetgeen een schending van (de gedragscode verbonden aan) de bankierseed (meer specifiek: gedragsregels 1, 4 en 5) oplevert.

In de visie van de Algemeen directeur maakt in ieder geval deze samenloop van punten (van – kort geduid – onzorgvuldigheid) dat weliswaar sprake is van  verzachtende omstandigheden, maar niet zodanig dat het aanleiding geeft om geheel af te zien van (iedere vorm van) tuchtrechtelijke sanctionering.

Hetgeen qua feitelijke (werk)omstandigheden in de periode voorafgaand aan zijn vertrek overigens nog naar voren is gebracht, zoals een hoge werkdruk (mede doordat hij in die periode zowel nog reguliere werkzaamheden alsook overdrachtswerkzaamheden diende te verrichten), maakt dat onvoldoende anders. Voorts betrekt de Algemeen directeur in zijn weging dat na constatering van de gemaakte fout is gehandeld zoals mocht worden verwacht, door de desbetreffende bankdocumenten te verwijderen en door zich open en toetsbaar op te stellen, zowel ten opzichte van de bank als ten opzichte van de Algemeen directeur.

De Algemeen directeur stelt een schikking voor in de vorm van een voorwaardelijke geldboete van € 500,-. De schikking is aanvaard.

De naam van de bankmedewerker is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

 

Schending afspraken nevenwerkzaamheden?

Kern van de uitspraak

De bank is met de bankmedewerkster een beëindigingsregeling overeengekomen, waarbij de bankmedewerkster in staat wordt gesteld een eigen bedrijf op te zetten. In de melding verwijt de bank dat in strijd met de afspraken klanten van de bank zijn benaderd.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing of klik op de link voor de volledige uitspraak van de Algemeen directeur, TRB-2024-4865-AD, 15 mei 2024.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur stel vast dat voor de bank en bankmedewerker niet ter discussie staat dat (als onderdeel van de overeengekomen beëindigingsregeling) de bank en de bankmedewerkster afspraken hebben gemaakt over hoe diende te worden gehandeld als een klant van de bank (ook) klant wenste te worden bij het bedrijf van de bankmedewerkster. De precieze inhoud van die afspraken is echter wél onderwerp van discussie.

Met betrekking tot het discussieonderwerp – de precieze inhoud van de gemaakte afspraken – merkt de Algemeen directeur enerzijds op dat de door de bank gestelde inhoud niet letterlijk en uitdrukkelijk uit de schriftelijke dossierstukken volgt doch anderzijds dat ook verder dan sec de letterlijke tekst van een voorschrift moet worden gekeken, in de zin dat óók oog dient te worden gehouden voor de (kenbare) strekking ervan. Gesteld kan worden dat ter zake van dat laatste de bankmedewerkster onvoldoende scherp is geweest: gegeven de (niet ter discussie staande) strekking van de gemaakte afspraken – te weten voorkoming van iedere mogelijke vorm en schijn van belangenverstrengeling – had de bankmedewerkster kunnen en moeten bedenken dat haar lezing (interpretatie) van de afspraken (mogelijk) niet door de bank zou worden gedeeld.

De Algemeen directeur ziet evenwel gelet op hetgeen naar voren is gebracht geen reden om eraan te twijfelen dat de bankmedewerkster wel met goede intenties en te goeder trouw heeft gehandeld.

Kortom, aan uw handelen lag dus kort gezegd onvoldoende scherpte ten wortel en niet méér dan dat. De Algemeen directeur overweegt dat in het voordeel van de bankmedewerkster meeweegt dat de schriftelijke vastlegging van hetgeen met de bank (in de persoon van haar leidinggevende) is afgesproken wellicht nog net iets scherper had gekund. Daarmee kunnen mogelijke misverstanden voorkomen worden. De Algemeen directeur ziet geen aanleiding om een tuchtklacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken of enige andere maatregel op te leggen.

Individueel handelen bankmedewerkster

Kern van de beslissing

De melder verwijt de bankmedewerkster valsheid in geschrifte te hebben gepleegd bij het geven van een opdracht aan een deurwaarder. Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor volledige beslissing TRB-2025-5132-AD, 23 januari 2025.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat het bankentuchtrecht ziet op het persoonlijke gedrag van de (individuele) bankmedewerker in relatie tot (de uitoefening van) diens beroep.

De Algemeen directeur stel vast dat de melder al eerder twee meldingen heeft ingediend tegen dezelfde bankmedewerkster. Deze meldingen zijn bekend onder dossiernummers TRB-2024-4878-AD en TRB-2024-5070-AD. De drie meldingen vinden hun oorsprong in een privégeschil tussen de melder en zijn broers enerzijds en de (onderneming van de) partner van de bankmedewerkster anderzijds.

Uit de bij de melding gevoegde informatie blijkt dat de deurwaarder niet handelt in opdracht van de bankmedewerkster maar in opdracht van de onderneming van de partner van de bankmedewerkster. Op welke wijze de bankmedewerkster (middels eigen handelen) betrokken zou zijn bij welke opdracht aan de deurwaarder dan ook, volgt niet uit de melding. Omdat een concrete onderbouwing aan de melding ontbreekt en de melding dus niet voldoet aan de minimale vereisten van artikel 2.1.1 van het Tuchtrechtreglement Bancaire Sector, ziet de Algemeen directeur geen aanleiding om de melding nader te onderzoeken en te sluiten.

 

Ongeoorloofd rekeningen bekijken

Kern van de uitspraak

Bankmedewerkster heeft meerdere malen de rekeninggegevens van haar ex-partner en van personen uit de directe omgeving van haar ex-partner bekeken. De bankmedewerkster was sinds 1989 in dienst van de (rechtsvoorganger van de) bank. Na constatering van de het ongeoorloofd rekeninggluren heeft de bank in 2023 dienstverband met de medewerkster beëindigd.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing of lees hier de volledige beslissing van de Algemeen directeur, TRB-2024-4874-AD, 30 september 2024.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur stel vast dat buiten kijf staat dat het handelen een schending oplevert van de gedragscode – gedragsregels 1 en 4 – verbonden aan de bankierseed. Gezien het feit dat rekeninggegevens veel informatie prijsgeven over het persoonlijke leven van de rekeninghouders en die gegevens dus uiterst privacygevoelig zijn, gaat het ook om een ernstige schending. Dit (voorop te stellen) vertrekpunt brengt met zich, aldus de Algemeen directeur, dat een Klacht aan de Tuchtcommissie Banken kan worden voorgelegd.

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat in zaken over het (meerdere malen) ongeoorloofd raadplegen van rekeninggegevens de Tuchtcommissie Banken een beroepsverbod van een aantal maanden passend acht, behoudens – kort gezegd – eventuele bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een andere (mildere) weging wat van invloed kan zijn bij het vaststellen van de op te leggen maatregel.

De bankmedewerkster heeft in haar schriftelijk verweer, haar mondelinge toelichting en haar aanvullende informatie – gemotiveerd en onderbouwd – uiteengezet dat haar handelen in kwestie verband hield met persoonlijke problematiek in de periode dat zij de rekeninggegevens bekeek. De Algemeen directeur overweegt dat als gevolg van deze omstandigheden bij de bankmedewerkster sprake was van een kwetsbare, niet-stabiele geestestoestand, waardoor zij in die periode – ofschoon dat van haar als bankprofessional wel mocht worden verwacht – niet voldoende weerstand heeft kunnen bieden aan destijds door haar ervaren prikkels om rekeninggegevens te bekijken van haar ex-partner en de directe kring om hem heen. Dit geeft uiteraard geen rechtvaardiging voor onderhavige handelen, zo stelt de Algemeen directeur, maar maakt wel dat in dit geval kan worden gesproken van bijzondere omstandigheden (van persoonlijke aard).

De Algemeen directeur geeft aan dat in dit geval de bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot een mildere weging/sanctionering dan hetgeen op de voet van de jurisprudentielijn van de Tuchtcommissie Banken als uitgangspunt heeft te gelden. De Algemeen directeur biedt als maatregel een minnelijke schikking aan inhoudende een voorwaardelijke geldboete van € 250,-. De bankmedewerkster heeft de minnelijk schikking aanvaard.

De naam van de bankmedewerker is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

Buiten de bank brengen van gegevens

Kern van de uitspraak

De bankmedewerker heeft tegen het einde van zijn opdracht bij de bank enkele e-mailberichten naar zijn privé e-mailadres gezonden. Volgens de bank bevatten deze mails bestanden met gegevens van de bank, waaronder klantgegevens.

De bankmedewerker erkent de e-mails te hebben verzonden, maar naar zijn mening bevatten de bestanden geen persoonsgegevens omdat het testdata betrof die volledig geanonimiseerd zijn. Voorts stelt hij niet tuchtrechtelijk te kunnen worden aangesproken omdat de bankierseed niet op hem van toepassing is.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur of klik op de link voor de volledige beslissing TRB-2024-4882-AD, 19 augustus 2024.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Naar het oordeel van de Algemeen directeur is de bankmedewerker wel gebonden aan de bankierseed en het bijbehorende tuchtrecht, aangezien vaststaat dat hij de bankierseed feitelijk heeft afgelegd en ook onder het bereik van artikel 3:17b lid 2 sub b Wft kan worden geschaard.

Voor wat betreft het gemaakte verwijt, stelt de Algemeen directeur dat de bankmedewerker heeft erkend de bankgegevens buiten de bank te hebben gebracht, hetgeen in strijd is met de interne bankregels. Hiermee zijn regel 1 en 4 van de aan de bankierseed verbonden Gedragscode geschonden.

Dat het naar buiten brengen van bankinformatie, om zichzelf in een betere positie te brengen met het oog op eventuele toekomstige opdrachten, niet integer noch zorgvuldig acht de Algemeen directeur duidelijk.

De Algemeen directeur deelt niet de opvatting van de bank dat hij tevens persoonsgegevens buiten de beveiligde omgeving van de bank heeft gebracht. Dit is onvoldoende vast komen te staan. De toelichting en uitleg van de bankmedewerker over hoe testdata tot stand komen en dat hij geen toegang had tot reële klantdata zijn op de Algemeen directeur als plausibel en aannemelijk overgekomen.

De Algemeen directeur acht de schending van (de gedragsregels verbonden aan) de bankierseed voldoende ernstig dat hij (in beginsel) grond heeft om een klacht aan de Tuchtcommissie Banken voor te leggen. De Algemeen directeur heeft echter ook oog voor (onder meer) het feit dat, kort gezegd, de risicogevoeligheid van uw handelen – gezien de omstandigheden van het geval (in het bijzonder de aard van de betrokken data) – gerelativeerd dient te worden.

De Algemeen directeur biedt de bankmedeweker een voorwaardelijke geldboete van € 250,- met de voorwaarde dat hij in een periode van twee jaar na acceptatie van de schikking niet wederom de bankierseed schendt. De schikking is geaccepteerd.

De naam van bankmedewerker is opgenomen in het register van Tuchtrecht Banken. Alleen de aangesloten banken kunnen het register raadplegen.

Overkreditering door onzorgvuldig handelen?

Overkreditering door onzorgvuldig handelen?

Beslissing Algemeen directeur, 16 augustus 2024, TRB-2024-4901-AD

Kern van de uitspraak

De klant van een bank in 2017 een bedrijf aangekocht en vraagt hiervoor een hypotheeklening aan bij de bank. De bank verstrekt de hypothecaire lening. Gedurende de uitoefening van het bedrijf worden er enkele Kort Lopende Kredieten aangevraagd en toegekend. Ook een aanvraag voor de financiering van een verbouwing van het pand wordt door de bank toegekend. De onderneemster heeft het bedrijf noodgedwongen moeten beëindigen omdat zij niet meer aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. Zij kwam in de schuldsanering terecht.

De onderneemster heeft in een consumenten programma haar verhaal gedaan. Zij verwijt de bank onzorgvuldig met haar belangen te zijn omgegaan door een te hoge financiering te verstrekken.

Naar aanleiding van de uitzending heeft de Algemeen directeur besloten een ambtshalve onderzoek te starten.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Allereerst stelt de Algemeen directeur vast dat de klant een zakelijke klant van de bank is, en dat daarom de specifieke consument-beschermende bepalingen aangaande overkreditering zoals vastgelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet van toepassing zijn.

Uit het onderzoek van de Algemeen directeur blijkt dat in 2017 geen sprake was van een landelijk geldende normering binnen de bank ten aanzien van de fiattering van zakelijke financieringsaanvragen. In de betreffende periode bestond de bank uit [kantoren] die ieder hun eigen processen, gebruiken en normen hadden.  Later zijn deze zaken uniform vastgesteld en centraal geregeld. Niet gebleken is dat door u regionaal toepasselijke normen zijn geschonden.

De Algemeen directeur concludeert dat achteraf gezien de medewerker van de bank de klant wellicht eerder aan Bijzonder Beheer had moeten overdragen en wellicht minder lang had moeten persisteren in zijn vertrouwen in de ondernemer, haar verhaal en onderbouwingen. Dit is echter te weinig om te stellen dat aanleiding bestaat om tuchtrechtelijke sanctionering na te streven.

De Algemeen directeur ziet geen aanleiding om  een klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken (of anderszins tuchtrechtelijke sanctionering na te streven) en seponeert de zaak.

 

ongepast advies en handelen door bankmedewerker

Ongepast advies en ongepast handelen door bankmedewerker

Beslissing Algemeen Directeur, TRB-2024-4931-AD, 8 april 2024

Kern van de zaak

Bankmedewerker geeft advies om de herkomst van gelden bij een contante storting niet als zakelijke inkomsten te benoemen, zodat de contante storting op privérekening kan plaatsvinden.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Een klant van de bank heeft een klacht tegen een bankmedewerker ingediend, inhoudende dat hem telefonisch is geadviseerd de herkomst van de gelden van contante storting te verhullen. De klant vond dit een zeer ongepast advies dat hem zeer tegen de borst stuitte, temeer omdat de klant zelf werkzaam is bij de Belastingdienst. Het telefoongesprek waaraan de klant refereert verliep stroef, en sprekers reageerden geagiteerd op elkaar.

In het toelichtende gesprek bij Tuchtrecht Banken erkende de bankmedewerker dat zijn opmerking naar de klant – tijdens het bewuste gesprek – niet gepast was.  De klant was echter al boos en wat er ook nog gezegd zou worden, zou in verkeerde aarde zijn gevallen. Daarmee verkeerde de bankmedewerker zogezegd in een spagaat.

De bankmedewerker verklaarde dat hij onvoldoende is opgeleid om zijn werk goed te doen.  Dat hij nimmer persoonlijk contact heeft gehad met collega’s of zijn leidinggevende en dat hij werd ingewerkt door het volgen van enkele online modules. Ook had de bankmedewerker kenbaar gemaakt zich niet zeker genoeg te voelen en dat hij onvoldoende kennis had om zijn werk te kunnen uitvoeren. Waarbij zowel het bedrijf, dat hem bij de bank heeft geplaatst, en de bank aangaven dat hij gewoon maar moest instappen en al doende zou leren. De bankmedewerker voelde zich onvoldoende begeleid door zijn werkgever.

Naar de mening van de Algemeen directeur staat op zich vast dat de bankmedewerker door te suggereren dat de klant het bij een andere vestiging opnieuw moest proberen en een andere herkomst van de gelden op zou kunnen geven, niet integer en in strijd met de intern geldende code heeft gehandeld. Hij heeft hiermee de 1e en de 4e gedragsregel van de aan de bankierseed gedragscode verbonden geschonden.

De Algemeen directeur stelt vast dat het gaat om een eerste misstap betreft die de bankmedewerker heeft begaan na slechts enkele maanden werkzaam te zijn in een functie waarvoor hij nog te onervaren was (althans voor zover het de omgang met een situatie als de onderhavige betreft) en dat hij reeds de nadelige gevolgen hiervan heeft moeten ondervinden, te weten de opname in het IVR register van de bank voor een periode van acht jaar en dat er geen significante gevolgen zijn verbonden aan zijn handelen. Om deze redenen oordeelt de Algemeen directeur dat op zich sprake is van een tuchtrechtelijk verwijtbare handeling maar dat deze gewogen dient te worden in voornoemde verzachtende context. De Algemeen directeur besluit tot seponering van de klacht.

Beslissingen van de Algemeen directeur

De bevoegdheid van de Algemeen directeur om de klacht te seponeren, staat in artikel 2.2.3 van het Tuchtreglement Bancaire Sector (2024). Bij zijn beoordeling van de ernst houdt de Algemeen directeur mede rekening met factoren zoals de aard en frequentie van de schending van die gedragsregels, de op de bankmedewerker (beëdigde) rustende verantwoordelijkheden en de mate van verwijtbaarheid.