Opzegging kredietfaciliteit

Deel deze pagina

Kern van de uitspraak

De melder, eigenaar van een onderneming, is van oordeel dat de bankmedewerker niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht in het gesprek met de melder over beëindiging van de kredietfaciliteit.

Lees hieronder de samenvatting van de beslissing van de Algemeen directeur van 25 september 2025, of klik op de link voor volledige beslissing: TRB-2025-5138-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De melder geeft aan dat de bankmedewerker tijdens een bespreking met hem kenbaar heeft gemaakt dat de bank de kredietfaciliteit waar zijn onderneming gebruik van maakt, wenst te beëindigen, zónder dat daar een zorgvuldig, op actuele bedrijfscijfers gebaseerd voorbereidingsproces aan vooraf is gegaan. Daarnaast stelt hij dat het gesprek met de bankmedewerker, dat gehouden werd bij de ondernemer op kantoor, woordelijk hoorbaar was voor zijn financieel manager en operationeel manager die in een aangrenzende ruimte zaten.

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat bij meldingen die zijn ingediend tegen de achtergrond van een inhoudelijk, civielrechtelijk geschil tussen de melder en de bank, de inhoud van deze beslissing c.q. het standpunt van de bank in dezen buiten de tuchtrechtelijke beoordeling valt.

In onderhavige situatie geldt dit aldus voor (beoordeling van) de rechtmatigheid van de beëindiging van de kredietfaciliteit. Wel valt de wijze van totstandkoming en kenbaarmaking van de beslissing of het standpunt van de bank onder de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht.

De Algemeen directeur heeft bij de bank informatie opgevraagd over (onder meer) de concrete aanleiding c.q. reden voor de bespreking met de ondernemer. Naar aanleiding daarvan heeft de bank de Algemeen directeur ervan in kennis gesteld dat die reden erin gelegen was om (i) kenbaar te maken dat de aan de onderneming geboden kredietvorm niet meer binnen het bancair financieringsbeleid paste en daarom zou worden beëindigd en (ii) om een eventuele alternatieve, nieuwe financiering te onderzoeken. De Algemeen directeur is van oordeel de bankmedewerker geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt valt te maken dat aan aankondiging van de mededeling geen zorgvuldig, op actuele bedrijfscijfers gebaseerd voorbereidingsproces is voorafgegaan.

Verder overweegt de Algemeen directeur dat de omstandigheid dat het gesprek woordelijk hoorbaar was voor de financieel manager en de operationeel manager die in een aangrenzende ruimte zaten de bankmedewerker geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dat de bankmedewerker tijdens die bespreking schreeuwerig zou zijn geweest of anderszins de normale standaarden voor zakelijke conversatie zou hebben overschreden, is niet gesteld. Daarbij betrekt de Algemeen directeur dat de ondernemer in zijn telefonische toelichting op de heeft verklaard dat sprake is van “kartonnen muurtjes” in het kantoorpand waardoor gesprekken tevens hoorbaar zijn voor personen in een aangrenzende ruimte.

De Algemeen directeur besluit tot afwijzing van de melding. De melder is het niet eens met deze beslissing en heeft bij de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken een verzoek tot herziening ingediend.

Wat is het oordeel van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken ziet in hetgeen in het verzoek is aangevoerd onvoldoende aanleiding om een nader onderzoek te rechtvaardigen. Voorts is de voorzitter van mening dat de Algemeen directeur op goede gronden tot zijn oordeel is gekomen en dat niet is gebleken dat persoonlijk gedrag van de bankmedewerker aanleiding zou geven tot nader onderzoek.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Lees hier de uitspraak van de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken van 25 september 2025.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.