Is er sprake van onjuiste informatieverstrekking?

Deel deze pagina

Kern van de uitspraak

De melder en de bank zijn het niet met elkaar eens over wie de rechthebbende is van een (openstaande) vordering. De melder meent dat de bank -die een vordering heeft op de melder- deze vordering heeft verkocht aan een incassobureau en dat het incassobureau (en dus niet de bank) de rechthebbende is. Daarvan uitgaande zou de bank de vordering niet (meer) kunnen opeisen bij de melder.

De melder geeft aan dat hij de bank diverse malen en langdurig naar de onderbouwing heeft gevraagd van het door de bank ingenomen standpunt. En ook dat hij  de bank heeft verzocht om overlegging van bewijsstukken waaraan de bank ontleent nog rechthebbende te zijn. Omdat de melder twijfelt aan de juistheid van de verkregen antwoorden, heeft hij bij Tuchtrecht Banken meerdere meldingen ingediend tegen de bankmedewerkers waarmee hij contact heeft gehad.

De meldingen zijn door de Algemeen directeur afgewezen. De melder heeft daarop tegen de afwijzende beslissingen bij de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken herziening van de beslissingen gevraagd.

Lees hieronder de samenvatting van één van de beslissingen van de Algemeen directeur en van één van de beslissingen op de ingediende verzoeken om herziening.

De beslissingen zijn ook direct te lezen door op de volgende linkjes te klikken: TRB-2025-5104-AD en TRB-2025-5104-HV.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De meldingen hebben betrekking op diverse bankmedewerkers, ieder in hun eigen rol en positie. Aan de meldingen ligt een vordering van de bank op de melder ten grondslag. Deze vordering is overgebleven uit het faillissement van de vennootschap waarvan melder directeur-groot aandeelhouder was. De bank heeft melder aangesproken tot betaling van de  vordering. Melder heeft zich hier tegen verzet en is een civiele procedure begonnen. In dit verzet is hij niet geslaagd. De rechter heeft de melder in de civiele procedure veroordeeld tot betaling van de openstaande vordering.  Waarna de discussie met de bank ontstond over het al dan niet overgedragen zijn van de vordering aan een incassobureau.

In de meldingen wordt aangevoerd dat de bankmedewerkers ieder voor zich en binnen hun eigen bevoegdheden, geen afdoende antwoord hebben gegeven op de door de melder gestelde vragen en ook dat de bankmedewerkers afspraken met elkaar hebben gemaakt over de communicatie met de melder en over het achterhouden van bewijs en het dossier. Dit om te voorkomen dat openheid van zaken wordt geboden, aldus de melder.

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing aan dat in de tuchtrechtelijke procedure geen oordeel kan worden gegeven over de civiele aspecten. Dit valt buiten de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. In de tuchtrechtelijke procedure kan alleen geoordeeld worden over het mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbare gedrag van de bankmedewerkers.

In de meldingen ziet de Algemeen directeur geen aanwijzingen dat de betrokken bankmedewerkers bij de totstandkoming van de civielrechtelijke beslissing(en) of het innemen van een standpunt sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbare onzorgvuldigheid in het contact tussen de bankmedewerker en de melder, dan wel in het door de bankmedewerker gevolgde werkproces.

Wat is het oordeel van de voorzitter van de Tuchtcommissie Banken

De verzoeker is van mening dat de beslissing van de algemeen directeur niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dat ten onrechte een oordeel wordt gegeven over de vordering ten gunste van de bank en dat ten onrechte geen onderzoek naar de verschillende bankmedewerkers is opgestart. Naast het verzoek om herziening van de beslissing wordt ook gevraagd om rectificatie van de beslissing van de Algemeen directeur.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft aan dat uit het herzieningsdossier en de beslissing van de algemeen directeur hem niet is gebleken dat een standpunt omtrent het civielrechtelijke geschil is ingenomen. De algemeen directeur heeft enkel beoordeeld of al dan niet sprake was van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken geeft verder aan dat van niet integer handelen -naar het hem voorkomt- niet is gebleken.  Voor wat betreft de overige opmerkingen die in het herzieningsverzoek zijn gemaakt merkt de Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken op dat de Algemeen directeur op juiste gronden heeft besloten geen nader onderzoek te doen instellen en derhalve geen klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken.

Het verzoek om voorziening wordt om vorenstaande redenen afgewezen. Voor het eisen van rectificatie van de beslissing van de Algemeen directeur is een herzieningsprocedure geen plaats.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.