Handelen bankmedewerker reeds onderdeel civielrechtelijke procedure

11 september 2018
Herzieningsuitspraken

TRB-2018-3897. 

Herzieningsbeslissing

De melder stelt dat de bankmedewerker een deal met hem zou hebben gesloten om, in ruil voor het royement van een hypotheek, een winstuitkering van één van de bedrijven van de melder te ontvangen. De bank zou voorts hebben geholpen om waardezaken uit een faillissement te halen.

De Algemeen Directeur oordeelt dat de gedragingen waar de melding op zien, vóór de datum van het afleggen van de bankierseed door de bankmedewerker hebben plaatsgevonden. De Algemeen Directeur legt daarom geen klacht voor aan de Tuchtcommissie.

De melder verzoekt om herziening van de beslissing van de Algemeen Directeur. De voorzitter van de Tuchtcommissie laat in het midden of de gedragingen van de bankmedewerker onder het bancaire tuchtrecht vallen. De voorzitter van de Tuchtcommissie stelt vast dat de kwestie waarop de melding ziet, een geschil betreft tussen de melder en de bank, welk geschil door de melder aan de civiele rechter is voorgelegd. Omdat het handelen van de bankmedewerker al ter beoordeling ligt bij de burgerlijke rechter ziet de voorzitter van de Tuchtcommissie, onder verwijzing naar art. 2.2.4. Tuchtreglement Bancaire Sector, geen aanleiding om een klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie. Het herzieningsverzoek wordt daarom afgewezen.

Download hier de beslissing van de Algemeen Directeur: Dossier 3897 beslissing AD
Download hier de herzieningsbeslissing: Dossier 3897 herzieningsbeslissing