Valse brief in civiele procedure; beroepsverbod

26 juni 2019
Uitspraken Tuchtcommissie
Beroepsverbod

TRB-2019-3952.

De Algemeen Directeur heeft een klacht bestaande uit twee klachtonderdelen aan de Tuchtcommissie voorgelegd. De Tuchtcommissie acht het eerste klachtonderdeel gegrond en het tweede klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel A
Verweerder is (mede) verantwoordelijk voor het overleggen van een valse brief van de bank in een civiele procedure. In deze aan verweerder gerichte brief wordt in strijd met de waarheid gesteld dat een hypotheekgesprek met verweerder heeft plaatsgevonden en dat de situatie van verweerder het advies rechtvaardigt niet tot het aanvragen van een hypotheek over te gaan. Dit gesprek heeft nimmer plaatsgevonden.  Dat de brief door de advocaat van verweerder of door zijn partner zou zijn opgesteld en overgelegd acht de Tuchtcommissie onaannemelijk. De Tuchtcommissie acht het voor eigen gewin (doen) indienen van een valse brief in een gerechtelijke procedure verre van integer. Verweerder heeft geen openheid willen betrachten over de vraag hoe de brief tot stand is gekomen en in het geding is gebracht en wie daarbij betrokken is geweest. Verweerder heeft daarmee in strijd gehandeld met gedragsregels 1 en 6.

Klachtonderdeel B
Verweerder wordt verweten dat hij zonder afstemming met een leidinggevende significant meer uren heeft gedeclareerd dan contractueel was toegestaan. De Tuchtcommissie kan uit de stukken niet zonder meer afleiden dat het verweerder contractueel niet was toegestaan gewerkte overuren te declareren. Ervan uitgaande dat het overwerk is verricht, resteert een verschil van inzicht tussen de bank en verweerder over de gemaakte afspraken over de verrichten werkzaamheden, de betaling daarvan en de uitleg van die afspraken. Dat verschil van inzicht is onvoldoende om een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerder te rechtvaardigen. De Tuchtcommissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

De maatregel
De Tuchtcommissie legt aan verweerder (voor het eerste klachtonderdeel) een beroepsverbod op voor de duur van 6 maanden. De Tuchtcommissie wijst daarbij onder meer op de ernst van de  gedraging van verweerder en de omstandigheid dat hij geen (voldoende) opening van zaken heeft gegeven.

De naam van verweerder wordt, na onherroepelijk worden van de beslissing, opgenomen in het register van Stichting Tuchtrecht Banken. Dit register is in te zien voor de aangesloten banken.

Download hier de beslissing: Beslissing TC 3952