Melding over onvoldoende uitoefenen poortwachtersrol Wwft

Kern van de uitspraak

De melding ziet op het niet voldoende uitoefenen (door de bank) van de in de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering terrorisme) opgenomen poortwachtersrol. De melder is van mening dat de leiding van de bank persoonlijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ter onderbouwing verwijst melder onder andere naar de schikking die de bank en het Openbaar Ministerie (OM) hebben getroffen.

De Algemeen directeur is naar aanleiding van de ingediende melding onderzoek gestart. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek ziet de Algemeen geen aanleiding een tuchtklacht voor te leggen en sluit hij het dossier.

Lees hieronder de samenvatting van de uitspraak van de Algemeen directeur van Tuchtrecht Banken van 17 juni 2025 of klik op de link voor volledige beslissing: TRB-2025-4629-AD.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

De Algemeen directeur geeft in zijn beslissing eerst aan hoe hij te werk is gegaan. Zijn onderzoek is gestart met het bestuderen en analyseren van het “Feitenrelaas Guardian”, opgesteld door het OM (publicatie april 2021), daarnaast heeft hij (nadere) informatie bij de bank opgevraagd. De bank heeft de gevraagde informatie verstrekt.

In de verdere loop van het onderzoek heeft de Algemeen directeur nog diverse informatieverzoeken uitgezet bij de bank. Ook deze zijn door de bank beantwoord. De informatie inclusief de reacties van de bank vormden een (onderzoeks)dossier van aanzienlijke omvang. Het laatstelijk toegevoegde stuk is ontvangen op 6 februari 2025. Ook zijn, ter inzage van (specifieke) informatie, meerdere bezoeken aan de bank gebracht. Daarnaast zijn er (hoor)gesprekken gevoerd (laatstelijk op 12 september 2024). Hiervan zijn gespreksverslagen opgesteld. Het schriftelijke (onderzoeks)dossier heeft zijn eindvorm en -omvang gekregen op 6 februari 2025.

In zijn beslissing geeft de Algemeen directeur de kaders aan waarbinnen de tuchtrechtelijke beoordeling plaatsvindt. Het (bancair) tuchtrecht kent een eigen (zelfstandig) toetsingskader en dit bestaat dus naast het toetsingskader van (bijvoorbeeld) het strafrecht. Tuchtrecht en strafrecht dienen verschillende doelen.

De Algemeen directeur merkt in zijn beslissing op (en hier vereenvoudigd weergegeven) dat het bancair tuchtrecht uitsluitend ziet op het persoonlijke gedrag van een banking professional (bankmedewerker). Daar waar wordt vastgesteld dat de bank als instelling is tekortgeschoten in de uitvoering van een wettelijke taak, maakt dat nog niet dat in tuchtrechtelijke zin (lees: in gedragsrechtelijke zin) verwijten te maken zijn jegens de (individuele) bankmedewerkers die voor het functioneren van de bank eindverantwoordelijkheid dragen.

De Algemeen directeur stelt vast dat toen de bankierseed en het daaraan verbonden bancaire tuchtrecht hun intrede deden (startpunt voor de tuchtrechtelijke beoordeling), waren de eerste signalen al bij de bank binnengekomen (aanschrijvingen door toezichthouder DNB) waarin erop werd gewezen dat de uitvoering van de uit de Wwft voortvloeiende poortwachtersrol tekortschoot bij haar businessonderdeel Private Banking Nederland.

De bank heeft naar aanleiding daarvan een (op dat businessonderdeel betrekking hebbend) herstel- en verbetertraject op touw gezet. Vervolgens bleek ook dat bij andere bedrijfsonderdelen de uitvoering van de poortwachtersrol tekortschoot. En uiteindelijk bleek dat het tekortschieten van de bank in de uitvoering van de uit de Wwft voortvloeiende poortwachtersrol een zodanig breed bereik had dat eind 2018 is besloten tot een gecentraliseerde aanpakmethode middels lancering van het zogeheten Detecting Financial Crime-programma (DFC).

Binnen het tuchtrechtelijk kader dient te worden beoordeeld of de bankmedewerkers op wie de melding betrekking heeft een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Uit het onderzoek van de Algemeen directeur blijkt dat de tekortkoming in de uitvoering van de poortwachtersrol binnen de bank over een lange periode heeft plaatsgevonden en dat in die periode verschillende stappen zijn gezet. Deze stappen (de herstel- en verbetertrajecten) bleken achteraf onvoldoende effectief. Dat deze stappen achteraf niet effectief bleken maakt nog niet dat het tuchtrecht in beeld komt, zo stelt de Algemeen directeur. Dat kan echter anders worden, geeft de Algemeen directeur in zijn beslissing aan, indien op voorhand kenbaar (voorzienbaar) was dat die decentrale herstel- en verbetertrajecten onvoldoende effectief zouden zijn. Dan wel anderszins kan worden gesproken van onvoldoende zorg betrachten in het besluitvormingsproces aangaande het adresseren en verhelpen van de gesignaleerde tekortkomingen.

Uit het onderzoek zijn echter geen zaken naar voren gekomen die in die richting wijzen. Zo zijn er geen indicaties gevonden dat is geknepen op budget of anderszins ‘business boven compliance’ is gesteld. De Algemeen directeur ziet evenmin aanleiding om te concluderen dat spoediger op het spoor van een gecentraliseerde aanpakmethode had kunnen worden overgegaan.

De Algemeen directeur ziet onvoldoende aanleiding om een (tucht)klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken en gaat over tot sluiting van het dossier.

Let op:
Deze samenvatting is een vereenvoudigde weergave van een officiële uitspraak of beslissing. De tekst is bedoeld om de belangrijkste punten begrijpelijk uit te leggen. Er kunnen geen rechten aan deze samenvatting worden ontleend. Alleen de officiële uitspraak is volledig en juridisch bindend.

ongepast advies en handelen door bankmedewerker

Ongepast advies en ongepast handelen door bankmedewerker

Beslissing Algemeen Directeur, TRB-2024-4931-AD, 8 april 2024

Kern van de zaak

Bankmedewerker geeft advies om de herkomst van gelden bij een contante storting niet als zakelijke inkomsten te benoemen, zodat de contante storting op privérekening kan plaatsvinden.

Wat is het oordeel van de Algemeen directeur

Een klant van de bank heeft een klacht tegen een bankmedewerker ingediend, inhoudende dat hem telefonisch is geadviseerd de herkomst van de gelden van contante storting te verhullen. De klant vond dit een zeer ongepast advies dat hem zeer tegen de borst stuitte, temeer omdat de klant zelf werkzaam is bij de Belastingdienst. Het telefoongesprek waaraan de klant refereert verliep stroef, en sprekers reageerden geagiteerd op elkaar.

In het toelichtende gesprek bij Tuchtrecht Banken erkende de bankmedewerker dat zijn opmerking naar de klant – tijdens het bewuste gesprek – niet gepast was.  De klant was echter al boos en wat er ook nog gezegd zou worden, zou in verkeerde aarde zijn gevallen. Daarmee verkeerde de bankmedewerker zogezegd in een spagaat.

De bankmedewerker verklaarde dat hij onvoldoende is opgeleid om zijn werk goed te doen.  Dat hij nimmer persoonlijk contact heeft gehad met collega’s of zijn leidinggevende en dat hij werd ingewerkt door het volgen van enkele online modules. Ook had de bankmedewerker kenbaar gemaakt zich niet zeker genoeg te voelen en dat hij onvoldoende kennis had om zijn werk te kunnen uitvoeren. Waarbij zowel het bedrijf, dat hem bij de bank heeft geplaatst, en de bank aangaven dat hij gewoon maar moest instappen en al doende zou leren. De bankmedewerker voelde zich onvoldoende begeleid door zijn werkgever.

Naar de mening van de Algemeen directeur staat op zich vast dat de bankmedewerker door te suggereren dat de klant het bij een andere vestiging opnieuw moest proberen en een andere herkomst van de gelden op zou kunnen geven, niet integer en in strijd met de intern geldende code heeft gehandeld. Hij heeft hiermee de 1e en de 4e gedragsregel van de aan de bankierseed gedragscode verbonden geschonden.

De Algemeen directeur stelt vast dat het gaat om een eerste misstap betreft die de bankmedewerker heeft begaan na slechts enkele maanden werkzaam te zijn in een functie waarvoor hij nog te onervaren was (althans voor zover het de omgang met een situatie als de onderhavige betreft) en dat hij reeds de nadelige gevolgen hiervan heeft moeten ondervinden, te weten de opname in het IVR register van de bank voor een periode van acht jaar en dat er geen significante gevolgen zijn verbonden aan zijn handelen. Om deze redenen oordeelt de Algemeen directeur dat op zich sprake is van een tuchtrechtelijk verwijtbare handeling maar dat deze gewogen dient te worden in voornoemde verzachtende context. De Algemeen directeur besluit tot seponering van de klacht.

Beslissingen van de Algemeen directeur

De bevoegdheid van de Algemeen directeur om de klacht te seponeren, staat in artikel 2.2.3 van het Tuchtreglement Bancaire Sector (2024). Bij zijn beoordeling van de ernst houdt de Algemeen directeur mede rekening met factoren zoals de aard en frequentie van de schending van die gedragsregels, de op de bankmedewerker (beëdigde) rustende verantwoordelijkheden en de mate van verwijtbaarheid.

Civielrechtelijk geschil – herzieningsverzoek afgewezen

TRB-2023-4876-AD en TRB-2023-4876-HV
Algemeen directeur, 6 september 2023

De Algemeen directeur heeft besloten geen nader onderzoek te verrichten naar aanleiding van de melding omdat de melding ziet op een gebeurtenis die meer dan vijf jaar voor het indienen van de melding plaatsvond. Bovendien ziet de melding op een civiel geschil tussen de melder en de bank.

TRB-2023-4876-HV, 7 november 2023

De melder heeft om herziening van de beslissing verzocht. De Voorzitter van de Tuchtcommissie Banken stelt voorop dat de Algemeen directeur op grond van artikel 2.2.4 van het Tuchtreglement Bancaire Sector kan besluiten om geen lacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie Banken en dat de vijf-jaarstermijn genoemd in dat artikel daarbij een uitgangspunt is. Echter in onderhavige situatie gaat het niet om een enkele gebeurtenis die meer dan vijf jaren voor het indien van de melding plaatsvond. De melding heeft betrekking op meerdere gedragingen die vanaf 30 maart 2017 plaatsvonden. Van de datum van de eerste gedraging, te weten 30 maart 2017, kan daarom niet enkel worden uitgegaan.

De voorzitter deelt evenwel het oordeel van de algemeen directeur met betrekking tot de aard van het geschil. De melding houdt verband met een civielrechtelijk conflict tussen de melder en de bank. Met meldingen die zien op handelingen in strijd met de bankierseed die voortvloeien uit onvrede over (de afhandeling van) een civielrechtelijk geschil moet in beginsel terughoudend worden omgegaan. Het herzieningsverzoek wordt daarom afgewezen.

De Beslissing van de Algemeen directeur vind je hier.
De herzieningsuitspraak vind je hier.